Nieuwe Beslagsyllabus 2023

Nieuwe Beslagsyllabus 2023

Het is inmiddels traditie te noemen dat er in augustus een nieuwe beslagsyllabus verschijnt. Zo ook dit jaar.

In de beslagsyllabus staan richtlijnen voor advocaten over de voorwaarden die worden gesteld aan het verzoekschrift waarin je vraagt om beslag te leggen (met een duur woord: ‘beslagrekest’). Voor rechters geeft de beslagsyllabus richtlijnen c.q. ‘best practises’ voor het toe- of afwijzen van een verzoek om beslag te mogen leggen.

Er zijn vele soorten beslagen die allemaal hun eigen eigenaardigheden hebben, maar in de beslagsyllabus worden de diverse beslagen kort en bondig besproken.

Een aantal jaren geleden waren de wijzigingen (erg) groot, maar de laatste paar keer waren de wijzigingen beperkt. Ook in de beslagsyllabus, editie augustus 2023 zijn er maar beperkt aantal wijzigingen:

  • P.21 en p.63: daar is ter verduidelijking toegevoegd dat als de vordering in kort geding wordt afgewezen, het beslag vervalt zodra de appeltermijn ongebruikt verstreken is. Dat geldt niet als tijdig een bodemzaak (als hoofdzaak) aanhangig is gemaakt;
  • P.21: de alinea over de aanhangigheid van KEI-zaken wordt verwijderd;
  • P. 32: in de nieuwe voetnoot nr. 36 is recente jurisprudentie verwerkt.

Hieronder lees je de beslagsyllabus, versie augustus 2023.

beslagsyllabus-augustus-2023

Hoe is het met de Wet opleggen betalingsregelingen door de rechter?

Hoe is het met de Wet opleggen betalingsregelingen door de rechter?

Op 14 september 2022 sloot de internetconsultatie van de Wet opleggen betalingsregelingen door de rechter. Het doel van de wet is om, de titel zegt het al, de rechter de mogelijkheid te geven om een betalingsregeling op te leggen. Ook al wil de schuldeiser dat niet. Momenteel kan dat niet. Dit volgt uit artikel 6:29 BW:

“De schuldenaar is zonder toestemming van de schuldeiser niet bevoegd het verschuldigde in gedeelten te voldoen.”

Veel kritiek

Er was het nodige aan te merken op het voorstel van de internetconsultatie. Onder andere advocaat Jan Spanjaard schreef een column met de nodige aandachtspunten.[1] In mijn column in het tijdschrift BER was ik kritisch op de reikwijdte van het voorstel en de onduidelijkheid over wanneer de rechter een betalingsregeling mag opleggen.[2] De Nederlandse Orde van Advocaten adviseerde zelfs om het wetsvoorstel niet door te zetten.[3]

Geen voorstel Wet opleggen betalingsregelingen door de rechter

Op 23 november 2022 sprak de minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen nog de verwachting uit dat het wetsvoorstel voor de Wet opleggen betalingsregelingen door de rechter voor de zomer aan de Tweede Kamer zal worden toegezonden.[4] Dat is niet gebeurd. Sinds november 2022 is het stil voor wat betreft het wetsvoorstel.

In Bijlage 1 bij de brief van 27 juni 2023 van minister Weerwind (Justitie en Veiligheid) staat:

“De reacties op de consultatie waren kritisch. Daarom ben ik voornemens na het zomerreces een ronde tafel te organiseren met alle betrokken partijen om te kijken of en hoe we hiermee verder kunnen.”

De minister ziet ook in dat het wetsvoorstel flink onder handen genomen moet worden en dat nader overleg nodig is. Ik ben dan ook heel benieuwd of het wetsvoorstel er komt en zo ja, hoe de regeling er dan uit komt te zien.

Wordt vervolgd… of niet.


[1] J.H.M. Spanjaard, “Betalingsregeling door rechter: onwenselijke inbreuk op contracteervrijheid”, Contracteren 2022, afl. 4, p 133-136.

[2] J.M. Veldhuis, “De Wet opleggen betalingsregeling door de rechter: onduidelijkheid troef“, BER 2022, afl. 6, p. 29-30.

[3] Nederlandse Orde van Advocaten, “Wetgevingsadvies: Wijziging boek 6 bw ivm toekennen bevoegdheid rechter om betalingsregeling op te leggen” d.d. 14 september 2022.

[4] Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 24 515, nr. 655.

[Column] Principes verhogen de werkdruk

[Column] Principes verhogen de werkdruk

Rechtbanken en gerechtshoven moeten procespartijen actief informeren over de volgende stap in de procedure als zij niet zijn verschenen na anticipatie. Deze verplichting gaat verder dan alleen bij anticipatie in hoger beroep.

Waar gaat het om? Een gerechtelijke procedure is aanhangig vanaf de dag van dagvaarding. Dit geldt ook als de eerste rolzitting maanden in het verschiet ligt. De gedaagde heeft er mogelijk belang bij om de inhoudelijke procedure eerder te laten beginnen en kan dan anticiperen.

Anticipatie is het vervroegen van de (eerste) rechtsdag door de gedagvaarde partij (artikel 126 Rv). Anticipatie geschiedt bij deurwaardersexploot. Anticipatie is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep mogelijk.[1] De gedagvaarde partij moet het exploot vervolgens aanbrengen bij het desbetreffende gerecht.

In hoger beroep bevat de appeldagvaarding meestal niet de grieven. Anticipeert geïntimeerde, dan dwingt hij appellant om zijn memorie van grieven eerder in te dienen. Als geïntimeerde het anticipatie-exploot (en de appeldagvaarding) aanbrengt en appellant vervolgens geen advocaat stelt, dan kan geïntimeerde het gerechtshof verzoeken om verval van instantie te verlenen. Het gerechtshof is echter verplicht om appellant een laatste termijn te geven om alsnog in de procedure te verschijnen.[2] Deze termijn wordt geregistreerd op de rol. Verschijnt appellant wederom niet, dan wordt appellant ontslagen van instantie. Dit is funest in hoger beroep, omdat de hoger beroepsprocedure daarmee ten einde komt. Herstel is meestal niet meer mogelijk. De appeltermijn zal in het merendeel van de gevallen al verstreken zijn en het vonnis in eerste aanleg is onherroepelijk.

Recent oordeelde de Hoge Raad over een dergelijke casus.[3] In deze casus vervroegde geïntimeerde bij anticipatie-exploot van 23 november 2020 de eerste rolzitting van 9 november 2021 naar 8 december 2020. Het anticipatie-exploot werd betekend op het kantooradres van de advocaten van appellanten. Geïntimeerde bracht de appeldagvaarding en het anticipatie-exploot aan bij het hof. Op de rolzitting van 8 december 2020 verschenen appellanten niet (er stelde zich geen advocaat namens appellanten). Het hof stelde appellanten in de gelegenheid om op de zitting van 22 december 2020 alsnog te verschijnen. Ook toen verschenen zij niet. Op 22 januari 2021 stelde zich wel een advocaat. Het gerechtshof oordeelde dat dit te laat was en ontsloeg geïntimeerde van instantie.[4]

Appellanten gingen met succes in cassatie. Het hof had de advocaten, die in de appeldagvaarding vermeld staan, actief moeten informeren. Dat deed het hof niet. Omdat een partij zich doorgaans niet bewust is van dit verzuim, heeft hij geen reden om de rol te raadplegen, voor zover zij daartoe al toegang heeft, om te bezien of gelegenheid is gegeven tot herstel. Om dezelfde reden kan niet worden verwacht dat de partij navraag doet bij de griffie of de wederpartij. Het gerechtshof kon daarom niet volstaan met het enkel op de rol aantekenen van de hersteltermijn om alsnog advocaat te stellen. Omdat de partij die het aangaat daarmee niet daadwerkelijk in kennis is gesteld van de herstelmogelijkheid, wordt geen reële gelegenheid gegeven om het verzuim te herstellen. Dat verdraagt zich niet met de eisen van een behoorlijke rechtspleging en met het beginsel van hoor en wederhoor, aldus de Hoge Raad. [5] Daarmee is het een principiële uitspraak van de Hoge Raad.

Het opvallende in deze casus is dat de anticipatie-exploten (want meerdere appellanten) zijn betekend aan het kantoor van de advocaten die de appeldagvaarding lieten betekenen. Deze advocaten waren dus op de hoogte van de anticipatie. Dat zij zich niet stelden op de vervroegde roldatum kan bewust zijn geweest. Mogelijk wilden ze wat extra tijd winnen. Er was immers op lange termijn gedagvaard. Als dit het geval is, dan wisten ze waarschijnlijk dat ze nog een uitstel van twee weken zouden krijgen. Waarom ze zich niet stelden op 22 december 2020 blijkt niet uit de uitspraken.

De Hoge Raad toont zich onverwacht coulant met zijn oordeel dat het hof de hersteltermijn aan de advocaten had moeten meedelen. De advocaten in kwestie waren immers op de hoogte van de datum waartegen appellanten zijn opgeroepen. Dat zij kennelijk niet in het roljournaal keken na de rolzitting van 8 december 2020, lijkt me een omstandigheid die voor hun rekening en risico komt. Ik zou denken dat sprake is van een beroepsfout. Maar niets blijkt minder waar. Het is het gerechtshof dat een fout maakte, aldus de Hoge Raad.

De Hoge Raad beperkt zijn oordeel niet tot de appelprocedure. Dit roept de vraag op in welke andere gevallen de niet verschenen partij actief moet worden geïnformeerd over de stand van zaken in een procedure.

Voor de hand ligt de situatie dat gedaagde in eerste aanleg anticipeert en (de advocaat of gemachtigde van) eiser zich niet stelt in de procedure.

Voor verstek (in eerste aanleg en in hoger beroep) geldt mijns inziens dezelfde verplichting voor de rechtbanken en gerechtshoven. Na de eerste rolzitting wordt de procedure aangehouden voor de betaling van het griffierecht.[6] Ook dan weet de gedaagde/geïntimeerde dat hij is opgeroepen voor een rolzitting die vervolgens op grond van een wettelijke bepaling wordt verwezen naar een latere roldatum.[7] Kortom, een soortgelijk situatie. Van de niet verschenen gedaagde/geïntimeerde hoeft dan ook niet verwacht worden dat hij c.q. zijn advocaat de rol observeert. Ook hier geldt de informatieplicht van het gerecht.

Hetzelfde geldt als de kantonrechter de procedure verwijst naar de sector civiel van de rechtbank en vice versa. Ook in die gevallen moet de rechter waarnaar de procedure is verwezen de niet verschenen partij actief informeren over de voortgang van de procedure.

Voor al deze situaties in eerste aanleg en in hoger beroep moet de griffier een brief sturen. Al met al een behoorlijke toename van de werkdruk op de toch al zo zwaar belaste griffies.[8] Ook zullen de kosten stijgen. Daar zullen de gerechten niet blij mee zijn. Maar ook zij zullen zich moeten conformeren aan deze principiële uitspraak. Principes kosten tijd (werkdruk) en geld.

Deze column is afgesloten op 1 mei 2023.

Citeertitel: J.M. Veldhuis, “Principes verhogen de werkdruk“, BER 2023, afl. 4, p. 28-29.


[1] Artikel 353 lid 1 Rv juncto artikel 126 Rv.

[2] Artikel 127 lid 2 Rv juncto artikel 123 lid 1 Rv.

[3] HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1387.

[4] Hof Arnhem-Leeuwarden 9 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1234.

[5] HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1387, r.o. 4.2.2.

[6] Artikel 127a Rv juncto artikel 3 lid 3 Wgbz.

[7] Al zijn er rechters op de eerste rolzitting direct verstekvonnis wijzen en de procedure niet aanhouden.

[8] De Rechtspraak, Jaarplan 2023, p. 30.

Nieuwe Beslagsyllabus 2023

Nieuwe procesreglementen per 1 juli 2023

Per 1 juli 2023 gelden een aantal nieuwe procesreglementen.

Voor iedere procedure heeft de Rechtspraak een procesreglement opgesteld. In een procesreglement staan de (veelal) praktische regels die gelden voor procedures. Hierbij moet je denken aan de regeling om uitstel te krijgen en hoeveel exemplaren van een processtuk je moet indienen.

De procesreglementen worden aangepast of aangevuld als daar behoefte aan is. Op 1 juli 2023 zijn de volgende procesreglementen voor civiele procedures op bepaalde punten aangepast:

Onduidelijk is waarom de gerechtshoven sommige reglementen ‘landelijk procesreglement’ noemen en sommige ‘slechts’ procesreglement.

Naar verwachting volgt in augustus 2023 een nieuwe beslagsyllabus. In de beslagsyllabus staan richtlijnen voor advocaten over de voorwaarden die worden gesteld aan het verzoekschrift waarin je vraagt om beslag te leggen (met een duur woord: ‘beslagrekest’). Voor rechters geeft de beslagsyllabus richtlijnen c.q. ‘best practises’ voor het toe- of afwijzen van een verzoek om beslag te mogen leggen.

[Column] Principes verhogen de werkdruk

[Column] Mondeling vonnis ter bestrijding van doorlooptijden: schijn bedriegt

Sinds 1 september 2017 kan de civiele rechter mondeling einduitspraak doen op grond van artikel 30p Rv. Voorwaarde voor het doen van een mondelinge uitspraak is dat alle procespartijen op de zitting zijn verschenen. Van de mondelinge uitspraak maakt de rechter proces-verbaal op. Dit proces-verbaal wordt binnen twee weken ter beschikking gesteld aan partijen.

Het mondeling eindvonnis is bedoeld voor zaken die zich daarvoor lenen en het moet in het belang van partijen zijn. Een rechter zal geen mondeling vonnis wijzen als hij de zaak daarvoor niet geschikt acht, bijvoorbeeld omdat deze complex is of meer aandacht behoeft. Het is niet de bedoeling om in ingewikkelde zaken mondeling uitspraak te doen.[1]

In het proces-verbaal hoeven enkel de overwegingen en de beslissing te staan. De feiten en het verweer hoeven geen onderdeel te zijn van het proces-verbaal. Hiermee ligt de lat lager dan de vereisten die de Hoge Raad formuleerde voor schriftelijke vonnissen:

“[…] de grondbeginselen van een goede procesorde waartoe behoort dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden — in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen — controleerbaar en aanvaardbaar te maken.” [2]

De mondelinge einduitspraak kon de eerste jaren niet op veel populariteit rekenen.[3] De laatste tijd gaan er steeds meer stemmen op om het mondelinge vonnis in te zetten in de strijd tegen de te lange doorlooptijden bij de Rechtspraak.[4] Onder andere het Jaarplan 2023 van de Rechtspraak bestempelt het mondelinge vonnis als instrument om de doorlooptijd van procedures te verkorten.[5]

Het bestrijden van achterstanden bij de Rechtspraak is echter geen doel van het mondelinge vonnis. De mogelijkheid van het mondelinge vonnis is in het leven geroepen om tegemoet te komen aan behoeften van partijen en niet voor het verkorten van doorlooptijden.[6] Of het mondelinge vonnis ook daadwerkelijk tot tijdwinst c.q. verlichting van de werkdruk leidt, is tot op heden niet onderzocht. Het is slechts een aanname. De tijdwinst voor de rechtspraak moet dan ook niet worden overschat.[7]

In de juridische literatuur is een verhitte discussie gaande over de vraag of het mondelinge vonnis ook kan worden ingezet in complexe zaken om zodoende de doorlooptijden van rechtszaken te verkorten. Messer en Van Meegen[8] breken hiervoor al enige jaren een lans. Met name Messer werpt zich op als pleitbezorger van het mondelinge eindvonnis in complexe zaken.[9] Ahsmann & Hofhuis[10] en Van der Kraats & Schoenaker[11] zijn geen voorstander van de plannen van Messer.

Ik deel de mening dat het mondelinge vonnis niet als management instrument moet worden ingezet om doorlooptijden te verkorten. Als wordt gesproken over doorlooptijden, werkdruk en tijdwinst dan kijken de voorstanders enkel naar de procedure in eerste aanleg. Wat veelal wordt ‘vergeten’, is dat een proces-verbaal van een mondeling vonnis beperkter is dan een schriftelijk vonnis en dat enkel de gronden en de beslissing hoeven te worden opgenomen. De feiten en het verweer maken hier veelal geen onderdeel van uit. En daar wringt de schoen.

Hoe begrijpelijk, controleerbaar en aanvaardbaar is een mondeling vonnis als de feiten en het verweer ontbreken of slechts summier zijn weergegeven in het proces-verbaal? De vraag stellen, is hem beantwoorden. Zoals A-G De Bock terecht opmerkt, is een goed overzicht van de vaststaande feiten van cruciaal belang voor de juiste oordeelsvorming en het ontbreken van helderheid over de feitelijke gang van zaken is een recept voor onrechtvaardige of ondeugdelijke rechterlijke beslissingen.[12] Feitelijk worden de in eerste aanleg in het ongelijk gestelde partijen gedwongen om in hoger beroep te gaan om een begrijpelijk, controleerbaar en goed gemotiveerd oordeel te krijgen. Dit zal naar verwachting leiden tot een hausse aan hoger beroepen die te voorkomen waren. En dat terwijl  de gerechtshoven al kampen met grote achterstanden en personeelstekorten. De gewonnen tijd in eerste aanleg, als daar al sprake van is, wordt op die manier dubbel en dwars teniet gedaan. De roep om mondeling uitspraak te doen in complexe zaken is kortzichtig en verplaatst het probleem naar de gerechtshoven.

Citeertitel: J.M. Veldhuis, “Mondeling vonnis ter bestrijding van doorlooptijden: schijn bedriegt“, BER 2023, afl. 2, p. 20-21.


[1] Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II 2014/15, 34 318,  nr. 6, p. 6-7 en Mondelinge behandeling wetsvoorstel 34059 in de Eerste Kamer op 5 juli 2016, https://www.eerstekamer.nl/verslag/20160705/verslag.

[2] HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986 (Vredo/Veenhuis). Hier is een citaat opgenomen en dus inclusief typefouten.

[3] K.G.F. van der Kraats, De mondelinge uitspraak – dat smaakt naar méér, TCR 2019, afl. 1, p. 17.

[4] E.A. Messer, Het mondelinge vonnis in civiele zaken: Pippi Langkous revisited, AA 2022, afl. 5, p. 420-422, M.J.A.M. Ahsmann & H.F.M. Hofhuis, Mondeling vonnis in complexe civiele zaken: niet doen!, AA 2022, afl. 6, p. 484-486 en nawoord van Messer op p.487-488 en K.G.F. van der Kraats en M.M.J. Schoenaker, Mondelinge einduitspraak in civiele zaken; ter overdenking, AA 2022, afl. 10, p. 750-754. 

[5] De Rechtspraak, Jaarplan 2023, p. 21.

[6] K.G.F. van der Kraats 2019, p. 20.

[7] K.G.F. van der Kraats & M.M.J. Schoenaker 2022, p. 753.

[8] H.J.H. van Meegen, Mondelinge uitspraak: een onderschatte kans?, Trema 2018, nr. 6.

[9] E.A. Messer 2022 en Rechtspraak.nl, Mondeling uitspraak doen: draagt bij aan tijdige rechtspraak, https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Kwaliteit-van-de-rechtspraak/Paginas/mondeling-uitspraak-is-best-spannend.aspx (geraadpleegd op 7 februari 2023). Van Meegen citeert Messer in H.J.H. van Meegen 2018.

[10] M.J.A.M. Ahsmann & H.F.M. Hofhuis 2022.

[11] K.G.F. van der Kraats & M.M.J. Schoenaker 2022.

[12] Concl. A-G R.H. de Bock, ECLI:NL:PHR:2022:216, onder 1.12, bij HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1034.

 

Hoe is het met de Wet opleggen betalingsregelingen door de rechter?

De coronabetekening verdwijnt definitief

Minister Weerwind maakte in zijn brief van 5 december 2022 bekend dat het de bedoeling is dat de coronabetekening definitief verdwijnt.[1] Voordat ik hier op inga, is het goed om op te frissen hoe het ook alweer zat met de coronabetekening.

Even opfrissen

Als het mogelijk is moet de deurwaarder een exploot, zoals een dagvaarding, in persoon betekenen. Dit houdt in dat de deurwaarder het exploot overhandigt aan degene voor wie het bestemd is of aan diens huisgenoot.[2] Wordt niemand aangetroffen, dan kan de deurwaarder het exploot achterlaten in een gesloten envelop.[3] Laat de deurwaarder een exploot in een gesloten envelop achter, dan moet hij vermelden waarom hij dat doet.[4]

In plaats van te proberen om een exploot in persoon te betekenen, meende de KBvG dat in coronatijd kon worden volstaan met het achterlaten in een gesloten envelop.[5]

Dit was niet onomstreden, maar de Hoge Raad gaf uiteindelijk zijn fiat. Momenteel staat de coronabetekening in artikel 1 Verzamelspoedwet COVID-19:

“Voor de toepassing van artikel 47, eerste lid, derde volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van een feitelijke onmogelijkheid om aan een van de in artikel 46, eerste lid, van de wetboek bedoelde personen afschrift te laten, steeds sprake zolang de richtlijnen van het RIVM voorschrijven dat personen afstand houden wegens besmettingsgevaar met COVID-19.”

Verlenging niet noodzakelijk

De diverse tijdelijke coronamaatregelen worden steeds voor bepaalde tijd verlengd. Nu we de coronapandemie achter ons hebben gelaten, kijkt men per maatregel of verlenging nog aan de orde is. Dit geldt ook voor de coronabetekening.

Minister Weerwind meent dat de coronabetekening niet meer nodig is. Daarom wil hij artikel 1 Verzamelspoedwet COVID-19 per 1 februari 2023 laten vervallen. Daarmee is de coronabetekening definitief verleden tijd.

Voor de deurwaarders verandert er weinig. De RIVM-maatregel van 1,5 meter afstand houden verviel op 25 februari 2022. De coronabetekening was daaraan gekoppeld en werd sindsdien niet meer gebruikt.

Wel verlengen: digitale zittingen

Interessant is de minister sommige maatregelen wel wil verlengen. Eén zo’n maatregel is de mogelijkheid van videoconferentie in de rechtspraak. Oftewel het digitaal houden van zittingen.

De motivatie is dat het aannemelijk is dat bij een toename van het aantal besmettingen of de ernst van het ziektebeeld direct weer behoefte aan deze voorzieningen zal bestaan. De minister vindt het te kwetsbaar om nu al tot het verval van de grondslag hiervan te besluiten.

Daarnaast wil de minister een permanente wettelijke basis creëren voor digitale zittingen. Omdat dit de nodige tijd kost, blijft deze maatregel voorlopig bestaan.[6]


[1] Brief van 5 december 2022, Vervallen tijdelijke voorzieningen COVID-19.

[2] Artikel 46 lid 1 Rv.

[3] Artikel 47 lid 1 Rv.

[4] Artikel 47 lid 1, slot Rv.

[5] Corona update KBvG voor haar leden d.d. 16 maart 2020.

[6] Brief van 5 december 2022, Vervallen tijdelijke voorzieningen COVID-19, p. 2 en Nota Beëindiging tijdelijke maatregel COVID-19.

 

[Column] Principes verhogen de werkdruk

[Column] Rechtsonzekerheid bij ondeelbare rechtsverhouding in kort geding

Is sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding dan moeten alle partijen bij die rechtsverhouding in rechte worden betrokken. De Hoge Raad bepaalde recent dat hier coulant mee moet worden omgegaan. Dit is echter nog niet altijd staande praktijk, waardoor de rechtszekerheid in het gedrang komt.]

Als sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding dan moeten alle partijen bij die rechtsverhouding in rechte worden betrokken. Als een derde zich verzet tegen de executie van een vonnis en een executiegeschil start, dan moet hij executant en geëxecuteerde dagvaarden.[1] Deze regel staat al meer dan een eeuw in de wet. Er is dus sprake van een door de wet geregelde processueel ondeelbare rechtsverhouding. Dagvaardt eiser enkel de executant, dan volgt over het algemeen niet-ontvankelijkheid.

Het komt geregeld voor dat een derde die een executiegeschil in kort geding start alleen de executant dagvaardt en niet de geëxecuteerde. Vaak verklaart de voorzieningenrechter eiser dan niet-ontvankelijk.[2]

In het arrest van 10 maart 2017[3] oordeelt de Hoge Raad dat de rechter eiser/derde, al dan niet ambtshalve[4], een herstelmogelijkheid moet bieden als sprake is van ondeelbare rechtsverhouding en niet alle partijen bij die rechtsverhouding zijn in rechte betrokken. Deze herstelmogelijkheid bestaat eruit dat eiser alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om de ontbrekende personen op te roepen op grond van artikel 118 Rv.[5], [6] Deze zaak betrof een bodemprocedure.

Mijn ervaring is dat de voorzieningenrechter na 10 maart 2017 in kort geding geen mogelijkheid tot herstel biedt na een beroep op de exceptio plurium litis consortium. De rechter verklaarde de wederpartij niet-ontvankelijk. Dit was een prima resultaat voor mijn cliënt, maar ik had verwacht dat de mogelijkheid tot herstel in ieder geval onderdeel zou zijn van het debat ter zitting. Uit jurisprudentieonderzoek blijkt dat de mogelijkheid van herstel wel vaker niet wordt geboden in kort geding.[7] Het waarom blijkt niet uit de uitspraken. Is het vanwege de spoedeisendheid? Geldt voor executiegeschillen in kort geding een uitzondering die ik niet ken? Is het omdat het een voorlopige voorziening betreft die geen gezag van gewijsde kan krijgen? Of doen ze het niet, omdat dit verweer pas op zitting bekend wordt en het aanhouden van de zitting tot een later tijdstip ongewenst is (zittingscapaciteit)?

Alle reden om hier verder in te duiken met als doel om er te zijner tijd een artikel over te schrijven. Een antwoord vond ik niet. Ook de Asser serie bood geen soelaas. Daar komt men niet verder dan dat moet worden aangenomen dat de derde niet-ontvankelijk is als hij niet zowel de geëxecuteerde als de executant dagvaardt. Men maakt geen melding van het arrest van 10 maart 2017.[8]

Voordat ik aan het schrijven van mijn artikel toekwam, maaide de Hoge Raad het gras voor m’n voeten weg. Op 9 september 2022 beantwoordde de Hoge Raad de vraag of in kort geding ook de mogelijkheid tot herstel moet worden geboden. De situatie was als volgt. De eiser in kort geding was één partij vergeten te dagvaarden en het hof bood niet de gelegenheid om dit alsnog te doen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof eiser de gelegenheid had moeten geven die partij alsnog in het geding te betrekken door oproeping op de voet van artikel 118 Rv binnen een daartoe door het hof te stellen termijn.[9]

Daarmee lijkt het duidelijk. Ook in kort geding moet de mogelijkheid tot herstel worden geboden als niet alle partijen bij een ondeelbare rechtsverhouding in rechte zijn betrokken. Dit moet ambtshalve gebeuren en dus is een beroep op de exceptio plurium litis consortium niet nodig (al is dat het wel handig om de rechter hier op te wijzen).

Er zijn logischerwijs weinig gepubliceerde uitspraken over de processueel ondeelbare rechtsverhouding van na 9 september 2022. Maar toch lijkt de praktijk weerbarstig. In kort geding past men soms nog steeds de oude regel toe en volgt direct niet-ontvankelijkheid als niet alle partijen bij een processueel ondeelbare rechtsverhouding zijn gedagvaard. Een voorbeeld hiervan is het vonnis van de voorzieningenrechter Limburg van 10 oktober 2022.[10] Opvallend is dat dezelfde rechter in een bodemprocedure van eerder dat jaar wel de mogelijkheid van herstel biedt.[11] Het gaat gelukkig niet altijd fout, zoals het hof Arnhem-Leeuwarden aantoont.[12]

Het is duidelijk hoe het moet. Alleen is het nog niet altijd tot de werkvloer doorgedrongen. En dat is wel van belang in het kader van de rechtszekerheid.

Dit artikel is afgesloten op 11 november 2022.

Citeertitel: J.M. Veldhuis, “Rechtsonzekerheid bij ondeelbare rechtsverhouding in kort geding“, BER 2022, afl. 8, p. 21-22.


[1] Artikel 438 lid 6 Rv. Tot 1 oktober 2020 stond dit in artikel 438 lid 5 Rv.

[2] Enkele voorbeelden hiervan zijn Hof Arnhem 12 november 1929, ECLI:NL:GHARN:1929:25; Rb. Almelo 7 december 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:BY6440; Hof Amsterdam 14 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BP3792 en Hof Amsterdam 18 december 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY6953.

[3] Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411.

[4] Zo ook: Hof ’s-Hertogenbosch 24 april 1958, ECLI:NL:GHSHE:1958:43.

[5] In Hof Arnhem-Leeuwarden 6 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7452 werd deze mogelijkheid ook geboden aan de derde die niet alle benodigde partijen had gedagvaard. Zo ook Hof Amsterdam 15 januari 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ7374.

[6] Artikel 118 Rv is bedoeld voor gevallen waarin het voor de beslissing over de rechtsbetrekking noodzakelijk is of zinvol is om een partij in het geding te betrekken (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736).

[7] Rb. Limburg 3 september 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:6567 en Rb. Overijssel 20 mei 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1837.

[8] Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2020/198.

[9] Hoge Raad 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1173, NJ 2022, 293.

[10] Rb Limburg 13 oktober 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:8045, r.o. 4.5.

[11] Rb Limburg 25 mei 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:4151, r.o. 4.3.

[12] Hof Arnhem-Leeuwarden 20 september 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8115, r.o. 3.2.

Nieuwe Beslagsyllabus 2023

Griffierechten blijven in 2023 gelijk

Wat zijn griffierechten?

Griffierecht (ook wel bekend als vastrecht) is een bedrag dat een procespartij moet betalen voordat hij mag deelnemen aan een procedure.

Normaliter verhoogt de minister de civiele griffierechten jaarlijks. Maar voor 2023 maakt minister Weerwind een uitzondering. In plaats van de griffierechten te verhogen met het consumentenindexcijfer van juli 2022 (10,29%), blijven de griffierechten op het niveau van 2022. De reden hiervoor is de aanstaande Wet verlaging griffierechten.

Wet verlaging griffierechten

Deze wet (nu nog een wetsvoorstel) ziet op het aanpassen van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (‘Wgbz’). In de Wgbz staan de regels over wie griffierecht verschuldigd is, voor welke proceshandeling je griffierecht verschuldigd bent en het heffen, innen en bezwaar maken tegen griffierechten.

Het plan is om de griffierechten voor alle categorieën met 25% te verlagen. Dus ook voor de categorie vorderingen van meer dan € 100.000. Vooruitlopend op deze verlaging vindt de minister het onwenselijk dat de griffierechten in relatief korte tijd twee keer flink worden gewijzigd.

Inwerkingtreding

Het plan was om Wet verlaging griffierechten per 1 januari 2024 in werking te laten treden. Maar om de gevolgen van de verlaging budgetneutraal te kunnen realiseren, is deze datum verzet naar 1 april 2024.

Kamerlid Van Nispen (SP) is het hier niet mee eens, omdat de verbetering van de toegang tot het recht dan langer op zich laat wachten. Daarom diende hij op 7 december 2022 een motie in. Met deze motie wil hij ervoor zorgen dat de Wet verlaging griffierechten alsnog op 1 januari 2024 in werking treedt. De stemming over deze motie is op dinsdag 13 december a.s.

Meer weten?

Wil je meer weten over griffierechten en de Wgbz? Lees dan mijn blogs  Griffierecht: welke partijen betalen geen griffierecht?, Griffierecht: voor welke proceshandelingen niet verschuldigd? en Eiswijziging: wat zijn de gevolgen voor het griffierecht?

[Column] Principes verhogen de werkdruk

[Column] De Wet opleggen betalingsregeling door de rechter: onduidelijkheid troef

Sinds 2017 stelt het kabinet zich tot doel om problematische schulden van burgers te voorkomen.[1] Een nobel streven. Eén van de manieren om dit te bereiken, is volgens de minister Weerwind van Rechtsbescherming om de rechter de bevoegdheid te geven om betalingsregelingen op te leggen. Momenteel kan de rechter nog geen betalingsregeling opleggen. Artikel 6:29 BW staat hieraan in de weg. Dit artikel bepaalt dat de schuldeiser toestemming moet geven aan de schuldenaar om het verschuldigde in gedeelten te voldoen.

Na een toezegging van voormalig minister Dekker van Rechtsbescherming in juni 2021[2] ging op 22 juni 2022 eindelijk het wetsvoorstel Wet opleggen betalingsregeling door de rechter in consultatie.[3] Het is wetsvoorstel voegt een tweede lid aan artikel 6:29 BW toe:

“2. In afwijking van het eerste lid kan de rechter, wanneer naar maatstaven van redelijkheid en

billijkheid niet van de schuldenaar kan worden gevergd dat hij een verschuldigde geldsom in een

keer betaalt en de schuldeiser niet onevenredig wordt benadeeld, een betalingsregeling opleggen.

De rechter stelt partijen vooraf in de gelegenheid zich over de regeling uit te laten.”

De door de rechter op te leggen betalingsregeling moet worden opgenomen in een vonnis.[4]

Het lange wachten is met dit wetsvoorstel niet beloond. Er zijn veel dingen nog niet duidelijk. In deze column bespreek ik twee belangrijke onduidelijkheden, te weten de reikwijdte van het wetsvoorstel en in welke concrete gevallen de rechter een betalingsregeling mag opleggen.

Reikwijdte

De reikwijdte van de regeling uit het wetsvoorstel is op twee onderdelen te ruim geformuleerd.

Ten eerste is de aanpak van problematische schulden enkel gericht op schulden van particulieren/burgers. Het wetsvoorstel moest erin voorzien dat passende betalingsregelingen kunnen bijdragen aan het voorkomen “dat mensen (verder) in de financiële problemen komen”.[5] Wat bevreemdt, is dat de bevoegdheid tot het op opleggen van een betalingsregeling nu moet gaan gelden voor zowel vorderingen op burgers als vorderingen op bedrijven.[6] Niet duidelijk is waar deze significante uitbreiding van de reikwijdte vandaan komt of op is gebaseerd.

Ten tweede ligt aan het wetsvoorstel de gedachte ten grondslag dat het grote aantal verstekzaken leidt tot hogere schulden. Als de gedaagde wel bij de kantonrechter verschijnt, dan is dat vaak om een betalingsregeling af te spreken. Als kantonrechters een betalingsregeling kunnen opleggen, dan leidt dat er naar verwachting toe dat meer schuldenaren op de rolzitting bij de kantonrechter zullen verschijnen.[7] De bevoegdheid voor de rechters geldt in kantonzaken en in handelszaken (sector civiel).

Dit argument gaat alleen niet op voor procedures bij de sector civiel, omdat daar verplichte procesvertegenwoordiging geldt.[8] De taak van een advocaat is om de belangen van zijn cliënt te vertegenwoordigen en als de cliënt baat heeft bij een betalingsregeling, dan zal de advocaat een voorstel voor een betalingsregeling doen. In die zin zal de nieuwe bevoegdheid van de rechter geen toegevoegde waarde hebben. De drempel om een advocaat in te schakelen wordt er niet lager door. Hetzelfde geldt voor hoger beroep.[9]

Het ligt dan ook voor de hand om de bevoegdheid tot het opleggen van betalingsregelingen enkel toe te kennen aan kantonrechters. Door deze bevoegdheid op te nemen bij de specifieke bepalingen voor kantonzaken in het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, kan daarover geen discussie bestaan.

Wanneer bevoegdheid uitoefenen?

Een tweede cruciale onduidelijkheid betreft de vraag wanneer sprake is van een situatie waarin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van een schuldenaar gevergd kan worden dat hij een vordering niet in één keer betaalt. Anders gezegd, in welke concrete gevallen mag de rechter een betalingsregeling opleggen?

Een betalingsregeling biedt alleen uitkomst bij beginnende schulden en tijdelijke betalingsonmacht. Ook moet de schuldeiser op termijn wel uitzicht hebben op betaling van de gehele vordering.[10] Alleen in deze gevallen mag de rechter een betalingsregeling opleggen. Neem dit dan ook op in het nieuwe artikellid.

De vervolgvraag is wanneer sprake is van beginnende schulden en tijdelijke betalingsonmacht. En wat is een redelijke termijn waarbinnen de vordering moet zijn voldaan? De wettekst en de memorie van toelichting zwijgen hierover. De memorie van toelichting komt niet verder dan de mysterieuze redenering dat de rechter een betalingsregeling kan opleggen “als hij de zaak op grond van de in de regeling opgenomen criteria geschikt acht”. De rechter bepaalt dus zelf in zijn vonnis wat de voorwaarden zijn waaraan moet worden voldaan, wil hij gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om een betalingsregeling op te leggen. Tja…

Dit zijn nog maar een paar onduidelijkheden. Het wetsvoorstel lijkt niet goed doordacht en het heeft er alles van weg dat het een spoedklus was. Kortom, er is werk aan de winkel.

Citeertitel: J.M. Veldhuis, “De Wet opleggen betalingsregeling door de rechter: onduidelijkheid troef“, BER 2022, afl. 6, p. 29-30.


[1] Regeerakkoord 2017-2021, Vertrouwen in de toekomst, p. 27.

[2] Beleidsreactie Betalingsregelingen d.d. 18 juni 2021.

[3] Https://www.internetconsultatie.nl/rechterlijkebetalingsregeling/b1. De internetconsultatie sluit op 14 september 2022.

[4] Dat de betalingsregeling in een vonnis wordt opgenomen en niet in een proces-verbaal blijkt uit p. 6 (‘het dictum’) en p. 7 (‘dat het de nakoming van vonnissen kan bevorderen’) Consultatieversie MvT.

[5] Consultatieversie MvT, p. 2.

[6] Consultatieversie MvT, p. 3.

[7] Consultatieversie MvT, p. 2 en Kamerstukken II 2021/22, 29279, 700, p. 3.

[8] Artikel 79 lid 2 Rv.

[9] Artikel 6:29 lid 2 BW bevat geen beperking ten aanzien van en hoger beroep en de MvT rept enkel over eerste aanleg.

[10] Consultatieversie MvT, p. 3.

[Column] Principes verhogen de werkdruk

“Rechters maken schulden van de zwakkeren juist erger”. Yeah right!

Download artikel

“Rechters maken schulden van de zwakkeren juist erger” is de titel van een opinie artikel in NRC van 15 februari 2022[1] van de hand van Alexander de Savornin Lohman. [2] Een pakkende titel die maakt dat je het artikel wil lezen. Helemaal toen bleek dat het artikel tot Kamervragen heeft geleid.[3] Soms ben ik kritisch op de Rechtspraak, maar dit leek me wel een heel boude uitspraak en een goede reden om dit artikel aan nader onderzoek te onderwerpen.

De strekking van de opinie is dat rechters in incassoprocedures, waarin de schuldenaar verstek laat gaan, zich niets aantrekken van de mogelijk penibele financiële situatie van de voor de rechter onbekende en niet in de procedure verschenen schuldenaar-gedaagde. Hierdoor faciliteert de rechter dat de zwakkeren in de samenleving nog meer in de schuldenproblemen komen. De Savornin Lohman klaagt verder dat de rechters de verstekzaken kil en onpersoonlijk afhandelen. Dit zou gebeuren op een manier waar veel partijen, zoals deurwaarders, incassobureaus, schuldopkopers en schuldhulpverleners, fors aan zouden verdienen. Ook de rechtbanken zouden er goed aan verdienen, omdat de kosten van een verstekzaak ongeveer 10% is van het laagste griffierecht. Kortom, de rechters zijn the bad guys en de incassoprocedure zou anders moeten worden ingericht.

De hierna te bespreken oplossing van De Savornin Lohman gaat uit van de foutieve aanname dat het doel van de Rechtspraak is “om maatschappelijk zwakkeren te beschermen tegen de sterkeren”. Echter, de missie van de Rechtspraak luidt: “De Rechtspraak beschermt rechten en vrijheden, komt op voor de democratische rechtsstaat, zorgt voor een goede toepassing van het recht en voor beslissingen door onafhankelijke, onpartijdige, integere en deskundige rechters.” [4] Daarmee kan de opinie meteen al de prullenbak in.

De Savornin Lohman, toch een oud-advocaat, lijkt te vergeten dat rechters weinig anders kunnen doen dan het toepassen van het recht op de aan hen voorgelegde casus. Het is niet hun taak om (ambtshalve) de financiële doopceel te lichten van iedere gedaagde in incassozaken die verstek laat gaan, om te bezien of er bemiddeld kan worden. Dat zal de Rechtspraak ook niet willen, omdat dit – net als bij de verplichte betalingsregeling[5] – leidt tot extra werk en daarop zit men niet te wachten. Er dienen immers doorlooptijden te worden verkort.

De oplossing die De Savornin Lohman aandraagt, is tweeledig. Ten eerste moet de eiser bij het aanhangig maken van een incassozaak al gedetailleerde informatie aan de rechtbank verschaffen. Denk aan informatie over het ontstaan van de schuld, de schuldhistorie van de schuldenaar en de mogelijkheden van de schuldenaar om de schuld af te lossen. Op basis van deze informatie kan de rechtbank vroegtijdig problematische schulden signaleren en met partijen in overleg treden over een oplossing. Ten tweede moet de rechter de mogelijkheid krijgen om een betalingsregeling op te leggen.

Dit klinkt aardig, maar hoe kan de schuldeiser weten wat de schuldhistorie en de aflossingscapaciteit is van een schuldenaar. Dat de overheid deze informatie ter beschikking heeft, kan ik me nog wel voorstellen. Maar de overheid vaardigt meestal zelf een dwangbevel uit en maakt de gang naar de civiele rechter niet.[6] Een natuurlijk persoon zal die informatie in het gros van de gevallen niet verstrekken aan zijn schuldeiser. Als hij al reageert op aanmaningen. In de opinie wordt dit verder niet toegelicht.

Dit brengt me bij het grootste probleem van problematische schulden. Zoals ook wordt onderkent in de opinie, laten de meeste schuldenaren-gedaagden verstek gaan. Uit onderzoek blijkt dat 70-80% van de schuldenaren verstek laat gaan in incassozaken.[7] Het is dus van het grootste belang dat minder schuldenaren verstek laten gaan. Dit is de achilleshiel van het slagen van het voorstel van De Savornin Lohman. Hoe dit te bewerkstelligen laat hij echter in het midden. Ook gaat hij eraan voorbij dat de Rechtspraak dit probleem onderkent[8] en dat de KBvG, in opdracht van de Rechtspraak, een incassodagvaarding heeft ontwikkeld die goed te begrijpen is.[9]

Verder bepleit De Savornin Lohman dat rechters de mogelijkheid moeten krijgen om schuldeisers een betalingsregeling op te leggen en dat het niet maatschappelijk verantwoord is dat artikel 6:29 BW de rechter deze bevoegdheid ontzegt.[10] Dit idee is mosterd na de maaltijd, omdat voormalig minister Dekker (Rechtsbescherming) al in juni 2021 toezegde om een wetsvoorstel zal voor te bereiden die het mogelijk maakt dat rechters betalingsregelingen opleggen.[11]

Dit alles overziend, blijft het onduidelijk wat het doel van de opinie is anders dan het generen van media-aandacht. De toonzetting nodigt in ieder geval niet uit om samen met het Center for Sustainable Justice naar oplossingen te zoeken. Ook op inhoudelijk vlak houdt het niet over. De voorstellen zijn gebaseerd op een verkeerd uitgangspunt, zijn praktisch onhaalbaar of zijn al in voorbereiding. En juist voor het grootste probleem (men laat verstek gaan) wordt geen oplossing aangedragen. Met deze opinie zetten De Savornin Lohman en het Center for Sustainable Justice zichzelf buitenspel.

Dit artikel is afgerond op 23 februari 2022.

Citeertitel: J.M. Veldhuis, “Rechters maken de schulden van zwakkeren juist erger”. Yeah right!, BER 2022, afl. 2, p. 20-21.


[1] NRC 15 februari 2022, ‘Rechters maken schulden van de zwakkeren juist erger’, https://www.nrc.nl/nieuws/2022/02/15/rechters-maken-schulden-van-de-zwakkeren-juist-erger-a4089449.

[2] De Savorin Lohman is medeoprichter van het Center for Sustainable Justice, zo staat bij het artikel vermeld. Het Center bestaat uit twee man en een raad van advies, die zich inzetten voor duurzame rechtspraak in de wereld. Meer informatie: https://www.sustainablejustice.org/index.php?id=welkom&taal=ned.

[3] Zie https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/kamervragen/detail?id=2022Z03213&did=2022D06748.

[4] Https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Paginas/mva.aspx.

[5] J.M. Veldhuis, Inverbindingstelling: betalingsregeling met het mes op de keel, BER 2021/6, p. 25-26.

[6] De overheid als schuldeiser is een ander probleem dat aandacht behoeft. Zie hierover mijn column ‘De overheid als schuldeiser: tijd voor nieuw leiderschap’, BER 2021/7-8, p. 41.

[7] Beleidsreactie Betalingsregelingen d.d. 18 juni 2021, p. 2.

[8] Visiedocument schuldenproblematiek en rechtspraak, februari 2019.

[9] KBvG 22 december 2021, Nieuwe dagvaarding in begrijpelijke taal klaar voor gebruik, https://www.kbvg.nl/nieuws-en-opinie/kbvg-nieuws/nieuwe-incassodagvaarding-in-begrijpelijke-taal-klaar-voor-gebruik.

[10] Artikel 6:29 BW luidt: “De schuldenaar is zonder toestemming van de schuldeiser niet bevoegd het verschuldigde in gedeelten te voldoen.”

[11] Beleidsreactie Betalingsregelingen d.d. 18 juni 2021, p. 4.

Nieuwe Beslagsyllabus 2023

Griffierecht 2022

Wat is griffierecht?

Griffierecht (ook wel bekend als vastrecht) zijn de kosten die een procespartij bij de start van de procedure moet betalen. Betaal je het griffierecht niet of niet op tijd, dan bestaat de kans dat de rechtbank je verzoek of vordering niet in behandeling neemt.

Wanneer wel/geen griffierecht?

Voor burgerlijke (civiele) zaken regelt de Wet griffierechten burgerlijke zaken (‘Wgbz’) wanneer iemand wel en wanneer geen griffierecht hoeft te betalen. Niet iedereen is namelijk griffierecht verschuldigd.

Over de situaties dat geen griffierecht verschuldigd is, schreef ik al eerder een tweetal blogs. Het eerste blog heet Griffierecht: welke partijen betalen geen griffierecht?. Het tweede blog heeft als titel Griffierecht: voor welke proceshandelingen niet verschuldigd?

Tarieven 2022

Er zijn twee categorieën griffierecht, namelijk voor de sector kanton en voor de sector civiel. Globaal kan je zeggen dat de sector kanton vorderingen tot € 25.000 behandelt en de sector civiel vordering van meer dan € 25.000. Meer informatie hierover lees je in mijn blog De competentiegrens: bij welke rechter moet je zijn.

Kantonrechter

niet-natuurlijke personennatuurlijke personenonvermogenden
Zaken of verzoek van onbepaalde waarde of waarde van maximaal € 500€ 128€ 86€ 86
Zaken met een vordering of een verzoek van een waarde van meer dan € 500 en niet meer dan € 1.500€ 322€ 244€ 86
Zaken met een vordering of een verzoek van een waarde van meer dan € 1.500 en niet meer dan € 2.500€ 365€ 244€ 86
Zaken met een vordering of een verzoek van een waarde van meer dan € 2.500 en niet meer dan € 5.000€ 487€ 244€ 86
Zaken met een vordering of een verzoek van een waarde van meer dan € 5.000 en niet meer dan € 12.500€ 514€ 244€ 86
Zaken met een vordering of een verzoek van een waarde van meer dan € 12.500€ 1.384€ 693€ 86
Aktes€ 134€ 134€ 134
Tabel 1: Griffierechten kanton 2022

Sector civiel

niet-natuurlijke personennatuurlijke personenonvermogenden
Zaken van onbepaalde waarde (incl. conservatoir beslag)€ 676€ 314€ 86
Zaken met een belang van niet meer dan € 100.000€ 2.837€ 1.301€ 86
Zaken met belang van meer dan € 100.000 € 5.737€ 2.277€ 86
Zaken met betrekking tot een vordering of verzoek met een beloop van meer dan € 1.000.000€ 8.519€ 2.277€ 86
Aktes (o.a. depot nalatenschappen, arbitrale vonnissen, algemene voorwaarden, non-failliet, non-appèl)€ 134€ 134€ 134
Tabel 2: Griffierechten civiel 2022

Natuurlijke personen zijn particulieren, maar ook een eenmanszaak valt hieronder voor wat betreft het griffierecht. Onder niet-natuurlijke personen vallen rechtspersonen, de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap. Onvermogenden zijn mensen die in aanmerking komen voor gefinancierde rechtsbijstand (ook bekend onder de term toevoeging). Of je hiervoor in aanmerking komt, kan je nagaan bij de Raad voor de Rechtsbijstand.

Eiswijziging

Gedurende een gerechtelijke procedure kan je je eis wijzigen. Dit kan van invloed zijn op de hoogte van het griffierecht dat je moet betalen. Meer informatie hierover lees je in mijn blog Eiswijziging: wat zijn de gevolgen voor het griffierecht?

Executiegeschil

Executiegeschil

Het executiegeschil is geregeld in artikel 438 Rv en is algemeen geformuleerd: “Geschillen die in verband met een executie rijzen”.[1] Dit betekent dat de executant en de geëxecuteerde een executiegeschil kunnen beginnen, maar ook een derde kan dit doen.  

Het executiegeschil kan een bodemprocedure zijn, maar veelal zal het een kort geding zijn in verband met de spoedeisendheid. Bij een kort geding wordt de spoedeisendheid al snel aangenomen, omdat het voortvloeit uit de aard van de vordering. Mocht de voorzieningenrechter van mening zijn dat de zaak niet geschikt is voor kort geding, dan kan hij ofwel de zaak afwijzen ofwel de zaak op verlangen van eiser verwijzen naar de rechtbank.

Per 1 oktober 2020 is ook de kantonrechter bevoegd kennis te nemen van executiegeschillen als het de executie van een door die kantonrechter afgegeven executoriale titel betreft (artikel 438 lid 1 Rv). Let op, wordt het executiegeschil in een bodemprocedure aanhangig gemaakt, dan is de kantonrechter absoluut bevoegd als aan de voorwaarden van artikel 93 Rv is voldaan. Begin je een executiegeschil als kort geding, dan kan de eiser kiezen voor de rechtbank of voor de kantonrechter.[2]

Net als bij een ‘gewoon’ kort geding, geldt ook bij het executie kort geding bij de rechtbank dat de gedaagde bij advocaat of in persoon kan verschijnen, maar niet vertegenwoordigd door een gemachtigde die geen advocaat is. Treedt de kantonrechter op als voorzieningenrechter in het executiegeschil, dan kunnen zowel eiser als gedaagde bij advocaat, in persoon of bij gemachtigde die geen advocaat is procederen.

Voorbeelden van een derde die zich tegen de executie verzet, zijn de deurwaarder die meent dat de executie niet kan worden voortgezet[3] en iemand die pretendeert eigenaar te zijn van een roerende zaak, waarvoor een executieveiling is gelast. Artikel 438 lid 6 Rv bepaalt dat verzet tegen de executie door een derde geschiedt door dagvaarding van zowel de executant als de geëxecuteerde. Ondanks dat het expliciet in de wet staat, gebeurt het toch nog dat de derde wel de executant dagvaardt, maar niet de geëxecuteerde. Is de geëxecuteerde of de executant niet gedagvaard, dan dient de derde niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vorderingen.[4] Het is niet mogelijk om executant en geëxecuteerde in twee aparte gedingen te dagvaarden en om vervolgens om voeging te verzoeken, om het gebrek op die wijze te herstellen.[5]

Een voor de hand liggende voorwaarde voor een executiegeschil ex. artikel 438 Rv is dat sprake moet zijn van een dreigende of lopende executie. Dit geldt voor zowel executoriaal als conservatoir beslag. Is de executie afgerond, dan is geen sprake meer van een executiegeschil.[6] Dit betekent dat artikel 438 Rv niet als ingang kan dienen. Er zal een reguliere procedure aanhangig moeten worden gemaakt met de daarvoor geldende regels van absolute en relatieve competentie, die kunnen afwijken van de competentieregels voor executiegeschillen. De grondslag van de vordering zal zijn dat de executie onrechtmatig is geweest jegens de eiser.

Citeertitel: J.M. Veldhuis, Executiegeschil, meerdere wegen naar Rome, Adv.bl. 2021


[1] Opkomen tegen een conservatoir beslag is geregeld in artikel 705 Rv.

[2] Dit volgt uit artikel 438 lid 2 Rv: “is ook de kantonrechter bevoegd”.

[3] Het deurwaardersrenvooi in geregeld in artikel 438 lid 5 Rv.

[4] Hof Arnhem 12 november 1923, ECLI:NL:GHARN:1926:25, Rb Almelo 7 december 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:BY6440, Hof Amsterdam 14 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BP3792 en Rb Limburg 3 september 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:6567.

[5] Rb Amsterdam 6 maart 1916, ECLI:NL:RBAMS:1916:97 en HR 21 mei 1999, NJ 2000, 291.

[6] Rb Amsterdam 6 maart 1916, ECLI:NL:RBAMS:1916:97, Hof Amsterdam 20 juni 1922, NJ 1923, NJ 1923, 878, Rb Breda 18 januari 1933, NJ 1934, 514 en Rb Noord-Nederland 5 februari 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:350.

Proceskosten: hoofdelijkheid?

Proceskosten: hoofdelijkheid?

De rechter veroordeelt de verliezende partij in een procedure doorgaans in de proceskosten van de andere partij. Hoe de proceskosten worden vastgesteld, staat in mijn blog proceskosten: hoe werkt het?

Wie voor welk deel?

Maar hoe zit het als twee partijen in de proceskosten worden veroordeeld. Kan de winnaar elk van zijn wederpartijen enkel voor de helft aanspreken? Of zijn ze altijd hoofdelijk aansprakelijk voor betaling van de proceskosten? Of zijn ze alleen hoofdelijk aansprakelijk als je dat vordert?

Wat is hoofdelijkheid?

Zijn meerdere partijen hoofdelijk aansprakelijk, dan betekent dat de schuldeiser de hoofdelijke partijen voor het gehele bedrag kan aanspreken. Dit heeft tot gevolg dat de schuldeiser kan kiezen wie hij aanspreekt en voor welk bedrag.

Betaalt één partij het gehele bedrag aan de schuldeiser, dan kan hij de andere partijen aanspreken zodat ze allemaal een gelijk deel betaald hebben. Dit noemt men intern regres.

Hoe het zit

Terug naar de proceskostenveroordeling. Is sprake van ‘automatische hoofdelijkheid’ of moet een procespartij dat vorderen?

De Hoge Raad zegt hierover:

“Bij de beoordeling van de incidentele vordering moet worden vooropgesteld dat de veroordeling van Oracle en [verweerder] door het Hof tot betaling van de kosten van het geding in hoger beroep meebrengt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden.”[1]

In normaal Nederlands zegt de Hoge Raad dat een proceskostenveroordeling tegen meerdere partijen altijd een hoofdelijke veroordeling is als deze partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de hoofdvordering. Het gevolg hiervan is dat een procespartij niet expliciet een hoofdelijke veroordeling van de proceskosten hoeft te vorderen.

Er is in dat geval dus automatisch sprake van hoofdelijkheid en beide partijen zijn dus voor het hele bedrag aansprakelijk. De winnende partij mag zelf bepalen wie hij aanspreekt voor de proceskosten.

Meer over proceskosten

In de serie over proceskosten is dit het vierde deel. Misschien vind je mijn andere blogs over proceskosten ook interessant. De andere drie delen zijn:


[1] Hoge Raad 17 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5169, NJ 2000, 353.

Hoe is het met de Wet opleggen betalingsregelingen door de rechter?

Berusting

In dit blog bespreek ik de juridische term berusting in de context van het burgerlijk procesrecht. Aan bod komt wat berusting is, wat het gevolg is en wat de voorwaarden zijn.

Wat is berusting?

Berusting is als een procespartij zich neerlegt bij de uitspraak. Het ziet dus op het doen van afstand van het recht om een rechtsmiddel in te stellen tegen de rechterlijke uitspraak.[1] Of, zoals de Hoge Raad het in 1941 verwoord, “dat verdere strijd wordt opgegeven”.[2]

Berusting vind je daarom op meer plaatsen terug in het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (‘Rv’), waaronder de volgende situaties:

  1. het geldt als er verzet wordt aangetekend tegen een verstekvonnis in (artikel 143 lid 4 Rv):

“De veroordeelde die in het vonnis heeft berust, kan daartegen niet meer in verzet komen”;

2. het geldt voor hoger beroepsprocedures (artikel 334 Rv):

“Elke partij welke zal berust hebben in een vonnis, kan niet meer ontvankelijk zijn om daarvan te komen in hooger beroep”;

3. en het geldt in cassatie (artikel 400 Rv):

“Het beroep in cassatie staat niet open voor hem, die in de uitspraak heeft berust”.

Bovenstaande voorbeelden zien op de dagvaardingsprocedure, maar het geldt ook voor de verzoekschriftprocedure. Zie artikel 358 lid 1 Rv voor hoger beroep en artikel 426 lid 4 juncto artikel 400 Rv voor cassatie.

Gevolgen berusting

Uit voorstaande citaten wordt wel duidelijk dat de (proces)partij die heeft berust in een uitspraak daartegen geen rechtsmiddel meer kan aanwenden. Anders gezegd, de uitspraak kan niet meer worden aangevallen en staat daarmee vast tussen partijen.

Eens berust, blijft berust

Een berusting kan niet worden ingetrokken.[3] Het is dus van belang om je te realiseren hoe berusting werkt en wat je wel en vooral niet moet zeggen en doen.

Voorwaarden berusting

De berusting moet blijken uit een mededeling of uit de houding van een procespartij nadat de uitspraak is gedaan. Berusting is vormvrij, wat betekent dat er geen regels zijn over de manier waarop het gebeurt. Het kan dus bijvoorbeeld schriftelijk, mondeling, maar ook via rooksignalen. Al kan het in de laatste twee gevallen lastig zijn om het aan te tonen.

Gericht aan wederpartij

De mededeling van berusting is een eenzijdige rechtshandeling die moet worden gedaan aan de wederpartij. De wederpartij hoeft er dus niet mee in te stemmen. Verklaart een partij enkel tegen de griffier dat hij geen hoger beroep zal instellen, dan geldt dat dus niet als berusting.[4]

Een ander praktijkvoorbeeld is de situatie dat een woordvoerder van een bedrijf tegen een persbureau zegt dat het bedrijf niet in cassatie gaat en dat het bedrijf zich neerlegt bij de uitspraak van het gerechtshof. Het persbureau zet dit vervolgens op haar website en meerdere media nemen dit vervolgens over. Het bedrijf gaat vervolgens toch in cassatie en de wederpartij stelt zich op het standpunt dat is berust in de uitspraak en dat het bedrijf niet-ontvankelijk is. De Hoge Raad deelt deze mening niet, omdat de verklaring aan het persbureau is gericht en niet aan de wederpartij. Dat de wederpartij het nieuwsitem heeft gelezen, is daarbij niet relevant.[5]

Ondubbelzinnig

Een tweede vereiste is dat de berustingsverklaring ondubbelzinnig is en daarmee dat er geen twijfel bestaat over de intentie. Dit geldt voor zowel de mededeling als de houding waaruit de berusting blijkt. Gezien de verstrekkende gevolgen van de berusting – de uitspraak is definitief –, is dit een logische voorwaarde.

Dit betekent dat het feit dat een partij vrijwillig en zonder protest aan een veroordeling voldoet, niet berust in dat vonnis.[6] Nadat aan een vonnis is voldaan, schreef de advocaat van de veroordeelde partij “Hiermede is derhalve deze zaak van de baan” aan de advocaat van een partij aan de advocaat van de andere partij is voor meerdere uitleg vatbaar. Het kan gaan over het hoger beroep, maar het zou ook kunnen gaan over de executie van het vonnis. Daarom is hier geen sprake van berusting.[7]

Er is wel sprake van berusting als de advocaat van een procespartij aan de advocaat van de andere procespartij schrijft dat zijn cliënt afziet van hoger beroep of cassatie.

Houding

Niet alleen een ondubbelzinnige mededeling kan tot berusting leiden, maar het kan ook volgen uit de gedragingen van een partij. Een zeer recent voorbeeld hiervan is de situatie dat partijen na het vonnis in eerste aanleg gaan onderhandelen. Partijen bereiken een schikking tegen finale en die schikking wordt nagekomen. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde in zijn uitspraak van 24 augustus 2021:

“In dit geval hebben [appellant1] en [appellant2] – direct nadat het Pensioenfonds hun verzocht tot betaling van het bedrag waartoe zij bij het vonnis van de kantonrechter waren veroordeeld – aangeboden een substantieel lager bedrag te betalen, zulks tegen finale kwijting. Met dit voorstel is het Pensioenfonds na rijp beraad akkoord gegaan en [appellant1] en [appellant2] hebben na de instemming van het Pensioenfonds daaraan uitvoering gegeven. In het algemeen wijst de formulering ‘finale kwijting’ erop dat partijen een eind willen maken aan hun materiële geschil. Het Pensioenfonds heeft het voorstel van [appellant1] en [appellant2] dienovereenkomstig mogen opvatten.”

Het hof voegt hieraan toe dat als appellanten niet wilden berusten in het vonnis, zij dit kenbaar hadden moeten maken. Door dit niet te doen is de indruk gewekt dat zij, na acceptatie en uitvoering van het voorstel, hebben berust in het vonnis. Het Pensioenfonds mocht hier ook gerechtvaardigd op vertrouwen.[8]

Niet ambtshalve

De rechter mag niet uit zichzelf (ambtshalve) oordelen dat een procespartij berust in een gerechtelijke uitspraak. De wederpartij zal daar een expliciet beroep op moeten doen.[9]

Wanner een beroep doen op berusting?

Het beginsel van goede procesorde maakt dat een beroep op berusting zo spoedig mogelijk moet worden gedaan. Dit betekent dat een procespartij dit in zijn eerste processtuk moet doen.[10]


[1] HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1138.

[2] HR 3 april 1941, NJ 1941, 835.

[3] HR 3 juni 1988, NJ 1988, 808, r.o. 3.

[4] HR 3 april 1941, NJ 1941, 835.

[5] HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:412, r.o. 3.4.

[6] HR 8 februari 1991, NJ 1992, 98.

[7] HR 6 december 1985, NJ 1986, 196.

[8] Hof Arnhem-Leeuwarden 24 augustus 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:8167.

[9] HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2008:AZ6096, r.o. 3.5.2.

[10] HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2008:AZ6096, r.o. 3.5.2.

Nieuwe Beslagsyllabus 2023

De verplichte betalingsregeling in aantocht

In de strijd tegen problematische schulden is demissionair minister Dekker van rechtsbescherming voornemens om rechters de bevoegdheid te geven om een betalingsregeling aan partijen op te leggen.[1]

 

Aanleiding

De reden om de rechter deze bevoegdheid te geven, is dat uit onderzoek blijkt:

“dat er een aanzienlijke groep schuldeisers is die verzoeken van schuldenaren om een betalingsregeling te treffen, afwijzen. Ook als de schuldenaar aantoont dat het niet betalen voortkomt uit betalingsonmacht.” [2]

Verder blijken schuldenaren te afwachtend te zijn en nemen ze geen contact op met de schuldeiser.[3] Het gevolg hiervan is gerechtelijke procedures, waarvan 70-80% verstekzaken zijn, wat weer leidt tot veel extra kosten voor de schuldenaar (griffierecht, salaris gemachtigde, kosten deurwaarder en nakosten). Hierdoor stijgt de schuldenlast van de schuldenaar.

 

Afwijking

Deze bevoegdheid betekent een wijziging van de wettelijke regeling van artikel 6:29 Burgerlijk Wetboek. Dit artikel bepaalt dat een schuldenaar de vordering in gedeelten mag voldoen als de schuldeiser daarmee instemt. De rechter kan op dit moment dus alleen betalingsregeling opleggen, als de schuldeiser daarmee instemt. Een voorbeeld hiervan is de alternatieve procedure Huurzittingen bij de Amsterdamse kantonrechter (dit is de voortzetting van de pilot huurzaken).

 

Wetsvoorstel

De Raad voor de Rechtspraak is een voorstander van de nieuwe bevoegdheid en verwacht geen problemen, omdat de rechter voldoende mogelijkheden heeft om de benodigde informatie op te vragen bij partijen. De rechter kan namelijk op grond van artikel 22 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering partijen verplichten om bepaalde informatie te verstrekken. Dit geldt ook voor financiële gegevens. Dit is voor de minister aanleiding om een wetsvoorstel op te laten stellen.

Omdat de rechter feitelijk gaat meeprocederen, ben ik zeer benieuwd hoe dit gemotiveerd gaat worden in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Bij de pilot Huurzaken zette ik in 2018 vraagtekens, maar omdat dat niet gebaseerd was op een wetsvoorstel is daarover nooit duidelijkheid gekomen.

 

Voorwaarden verplichte betalingsregeling

Hoe de precieze regeling eruit komt te zien en onder welke voorwaarden de rechter partijen een minnelijke regeling kan opleggen, is nog onduidelijk. Dat wordt bekend als het wetsvoorstel in consultatie gaat. Toch ga ik een aantal punten noemen die aandacht behoeven.

– Verschijnen

Een eerste voorwaarde zal moeten zijn dat de schuldenaar verschijnt in de procedure. Omdat thans 70-80% verstek laat gaan, is het succes voor een groot deel afhankelijk van de, door de minister verwachte, aanzuigende werking als eenmaal bekend wordt dat ter zitting betalingsregelingen afgesproken of opgelegd kunnen worden.[4]

– Doelgroep voor betalingsregeling

Gezien de aanleiding van deze maatregel, lijkt het me dat het moet gaan om consumenten die niet kunnen betalen. Het zou dus niet moeten gelden voor consumenten die niet willen betalen (betalingsonwil) en ook niet voor bedrijven. De minister geeft aan dat betalingsregelingen voor mensen met problematische schulden niet werken, omdat ze de regeling toch niet kunnen nakomen.[5] Er zal daarom goed moeten worden nagedacht wat nou precies de doelgroep is en hoe de rechter kan bepalen of een betalingsregeling zin heeft.

– Welke rechter?

Het rapport waar de minister zich op beroept, heeft als ondertitel “Bevorderen van haalbare betalingsregelingen bij private schuldeisers”.[6] Betekent dit dat de rechter de bevoegdheid om een betalingsregeling op te leggen niet krijgt als de overheid schuldeiser is? Dat lijkt me een onnodige beperking, met name met de toeslagenaffaire nog vers in het geheugen. De vraag is of ook de bestuursrechter deze bevoegdheid zou moeten krijgen.

Tot slot ben ik ben benieuwd of alleen de kantonrechter deze bevoegdheid krijgt of dat alle burgerlijke rechters die krijgen en dus ook rechters van de sector civiel (vordering van meer dan € 25.000) en de raadsheren van de gerechtshoven (voor hoger beroep procedures). De indruk wordt gewekt dat alleen de kantonrechter deze bevoegdheid zal krijgen. Het plan is immers om meer schuldenaren naar de zitting te krijgen en enkel bij de kantonrechter kan je in persoon en zonder advocaat verschijnen. Ook het rapport Betalingsregelingen lijkt uit te gaan van procedures bij de kantonrechter.[7]

Wordt ongetwijfeld vervolgd…


[1] Beleidsreactie betalingsregelingen d.d. 18 juni  2021.

[2] Beleidsreactie betalingsregelingen d.d. 18 juni  2021, p. 2.

[3] Beleidsreactie betalingsregelingen d.d. 18 juni  2021, p. 2.

[4] Beleidsreactie betalingsregelingen d.d. 18 juni  2021, p. 4.

[5] Beleidsreactie betalingsregelingen d.d. 18 juni  2021, p. 3.

[6] Jungman c.s., Betalingsregelingen, juni 2020.

[7] Jungman c.s., Betalingsregelingen, juni 2020, § 7.2.

[Column] Principes verhogen de werkdruk

[Column] Schaf het toetsingsverbod af!

Het is Koningsdag en ik zit tegen de deadline van deze column aan te hikken. Zonder tompouce. Maar wel met een kop koffie. Waar ga ik het deze keer over hebben? Over de beperking van de omvang van processtukken in hoger beroep, had ik het de vorige keer al.[1] Dit is nog steeds actueel en in die kwestie dient op 26 mei 2021 een kort geding.

Of over de rechtstaat die steeds verder in verval geraakt dankzij de opeenvolgende kabinetten Rutte? Dat de rechtstaat er niet best aan toe is, blijkt niet alleen uit het feit dat advocaten daar steeds maar weer aandacht voor vragen en dat de toeslagenaffaire aantoont dat goede (gefinancierde) rechtsbijstand tegen onze overheid een must is. Ook ‘de andere kant van de tafel’ vraagt aandacht voor het herstel van de rechtstaat. De Raad voor de Rechtspraak verzond op 16 april 2021 een brief aan informateur Tjeenk Willink.[2] Hierin worden 10 aanbevelingen gedaan voor rechtvaardige, toegankelijke en transparante en fatsoenlijk gefinancierde rechtspraak.

De eerste aanbeveling ziet op rechtvaardige rechtspraak en behelst opheffing van het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet. Dit artikel bepaalt dat rechters niet in de beoordeling van grondwettigheid van wetten en verdragen mogen treden. Anders gezegd, de rechter mag niet beoordelen of een wet al dan niet in overstemming met de Grondwet is.

Dit ben ik van harte met de Raad voor de Rechtspraak eens. De afgelopen jaren lijkt de wetgevingskwaliteit achteruit te hollen en worden wetgevingsadviezen van onder andere de Raad van State steeds kritischer. Vervolgens gebeurt het steeds vaker dat deze kritische adviezen terzijde wordt geschoven, met als gevolg slechte c.q. slecht uitvoerbare wetgeving. Denk hierbij aan het Programma KEI – u weet wel dat prestigeproject dat miljoenen kostte en waarbij geen fatsoenlijk onderzoek was gedaan voordat men begon – en de schrijnende gevolgen van de Kinderopvangtoeslagaffaire. Het is zelfs zo erg dat de Raad van State op 19 april 2021 een brief aan minister-president Rutte stuurde met aanbevelingen ter bevordering van de wetgevingskwaliteit.[3] Nu maar hopen dat er wel wat wordt gedaan met deze adviezen…

Maar het is niet voldoende om ervan uit te gaan dat de wetgevingskwaliteit nu wel beter zal worden. Ten eerste is het maar de vraag of deze adviezen worden overgenomen en ten tweede maakt dit reeds bestaande slechte wetgeving niet beter. Daarom zou het goed zijn dat het toetsingsverbod wordt afgeschaft. Op die manier worden burgers beter beschermd tegen de gevolgen van slechte wetgeving (en tegen de overheid) en burgers kunnen dan eindelijk daadwerkelijk een beroep doen op hun grondrechten.

Wil dit effect hebben, dan is het ook van het grootste belang dat de sociale advocatuur in leven wordt gehouden. Immers, als burgers geen effectieve toegang tot de rechter hebben, dan blijft het toetsingsverbod de facto nog bestaan en blijft de rechtstaat in verval.

Citeertitel: J.M. Veldhuis, Schaf het toetsingsverbod af!, BER 2021, afl. 4, p. 21.


[1] J.M. Veldhuis, Doorlooptijden: advocaat los het op!, BER 2021, afl. 2, p. 23-24.

[2] Raad voor de Rechtspraak, brief 16 april 2021, https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Raad-voor-de-rechtspraak/Nieuws/Paginas/Rechtspraak-vraagt-in-brief-aan-informateur-aandacht-voor-belang-sterke-rechtsstaat.aspx.

[3] Raad van State, brief 19 april 2021, https://www.raadvanstate.nl/publish/pages/123238/brief_aan_minister-president_aanbevelingen_ter_bevordering_van_de_wetgevingskwaliteit.pdf.

Nieuwe Beslagsyllabus 2023

Digitaal beslagrekesten indienen in Amsterdam

Aanleiding

Na het fiasco van het Programma KEI ging de Rechtspraak zich herbezinnen over het digitaal procederen. Dit leidde tot het Basisplan digitalisering civiel recht en bestuursrecht (‘Basisplan’). Het Basisplan heeft als treffende ondertitel ‘reset digitalisering KEI’.

Basisplan digitalisering civiel recht en bestuursrecht

Het Basisplan moet een nieuwe oplossing worden voor het digitaal procederen bij de rechtsgebieden civiel recht en bestuursrecht.

Project Digitale Toegang

Een uitvloeisel van het Basisplan is het Project Digitale Toegang. Dit project moet leiden tot een digitale brievenbus voor procespartijen, een digitale postkamer voor griffies en een digitaal dossier voor procesdeelnemers voor alle soorten civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken. Gezien de ervaringen met het Programma KEI neemt men kleine stapjes.

Lang bleef het stil. Maar vandaag maakte de Rechtspraak bekend dat, in ieder geval voor civiel recht, het eerste kleine stapje wordt genomen. De eerste concrete toepassing van het Project Digitale Toegang start binnenkort en betreft een digitaal portaal om beslagrekesten in te dienen.

Pilot digitaal beslagrekesten indienen

Dit digitale portaal voor het indienen van beslagrekesten is een pilot die vanaf 28 juni 2021 gaat lopen bij de rechtbank Amsterdam. Deelname is vooralsnog vrijwillig.

Er is verder nog weinig bekend over de pilot. Alleen dat je via rechtspraak.nl moet inloggen met je advocatenpas, dat advocaten in dit portaal stukken kunnen uploaden (in pdf formaat) en met de rechtbank kunnen communiceren. Verder ontvangt de advocaat automatisch “een digitale ontvangstbevestiging” voor hun dossier (ik neem aan een e-mailtje).

Eind deze maand komt online een handleiding beschikbaar en wordt er hopelijk meer bekend over de werking en de functionaliteiten.

De pilot duurt zes weken en als de evaluatie positief is dan kunnen advocaten dit najaar bij alle rechtbank digitaal een beslagrekest indienen.

Volgende pilot

Volgens een eerder persbericht is de volgende stap in het digitaliseringsproces “de zaakstroom rijksbelastingen” bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

[Column] Principes verhogen de werkdruk

[Column] Doorlooptijden: advocaat los het op!

Het gaat niet goed bij de Rechtspraak. De doorlooptijden blijven te lang en er is nog steeds een personeelstekort. Dit geldt ook (met name?) voor de gerechtshoven. Na de laatste proceshandeling kan het makkelijk een jaar duren voordat er een arrest is.

De doorlooptijden zijn al jaren een punt van aandacht en al jaren probeert de Rechtspraak deze terug te dringen. De tot op heden meest in het oog springende maatregel is het beperken van de mogelijkheid voor advocaten om uitstel te krijgen. Op die manier blijft de gang er lekker in. Althans dat is gedachte. Het probleem lijkt echter niet (langer) bij de advocatuur te liggen, omdat de doorlooptijden nog steeds te lang zijn en er bij de Rechtspraak nog steeds een personeelstekort is. Weliswaar was in het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering opgenomen dat er in geval van digitaal procederen binnen zes weken uitspraak moet worden gedaan, maar op die regel staat geen sanctie en deze regel geldt niet voor schriftelijk procederen.[1]

Om het probleem recht te trekken, bedacht de Rechtspraak dat per 1 april 2021 processtukken in hoger beroep, afhankelijk van het soort processtuk, maximaal 25 of maximaal 15 pagina’s mogen beslaan. Al die dikke dossiers kosten teveel (lees)tijd en dat is funest voor de doorlooptijden. Om te voorkomen dat advocaten creatief worden met ruimte wordt ook voorgeschreven dat een courant lettertype (zoals Arial, Times New Roman of Courier) moet worden gebruikt, de lettergrootte moet minimaal 11 punten zijn en voor voetnoten geldt een minimale grootte van 9 punten. Verder geldt een verplicht A4-formaat papier, een minimale regelafstand van 1 en – niet onbelangrijk – de marges onder, boven en naast de tekst moeten minimaal 2,5 cm zijn.

Maar omdat de Rechtspraak de beroerdste niet is, kan je om ontheffing vragen als je meent dat sprake is van een juridische of feitelijke complexe zaak. Dit verzoek moet je aan de rolrechter richten. Niet duidelijk is wat de criteria zijn om voor deze uitzondering in aanmerking te komen.

Zonder overleg. Zonder analyse. Zonder onderzoek. Zonder juridische basis.

Deze nieuwe regeling is opgenomen in een tweetal procesreglementen van de gerechtshoven.[2]

Het is niet de eerste keer dat de Rechtspraak probeert om paal en perk te stellen aan de omvang van processtukken. Eerdere pogingen konden ook op veel kritiek rekenen[3] en die regels verdwenen weer. Nu doet de Rechtspraak dus een nieuwe poging.

Je zou verwachten dat de eerdere kritiek ter harte zou zijn genomen en dat deze nieuwe regeling in goed overleg met de Nederlandse Orde van Advocaten zou zijn opgesteld. Daar leek het in eerste instantie ook op. Het gerechtshof Amsterdam vermeldde namelijk in haar nieuwsbrief van december 2020 dat er overleg met de dekens van de NOvA had plaatsgevonden over de invoering van de nieuwe regels. Niet dus. De termen overleg en meedelen zijn kennelijk door elkaar gehaald.

Inmiddels hebben meerdere advocaten[4], hoogleraar Barkhuysen[5] en de Nederlandse Orde van Advocaten[6] uitvoering uiteengezet dat deze regeling niet door de beugel kan. Het is namelijk niet mogelijk om in een procesreglement grenzen te stellen aan de omvang van processtukken (dit moet bij wet). Ook komen de toegang tot de rechter en het eerlijk proces (artikel 6 EVRM) met deze regeling in het geding.

Barkhuysen en de NOvA constateren verder dat de Rechtspraak geen onderzoek heeft gedaan naar de oorzaken van het probleem en het nut en de noodzaak van de maatregel, maar dat de advocatuur als schuldige wordt aangewezen. Dit is op zijn zachtst gezegd opvallend te noemen. Men ging voor de kortste en makkelijkste route: beperk de leestijd door een maximum te stellen aan de omvang van processtukken.

Ik vraag me af hoe de raadsheren tegen deze regeling aankijken. Er zullen ongetwijfeld raadsheren zijn die deze regel toejuichen; anders zou deze regeling er nooit zijn gekomen. Maar is dat nog steeds het geval nu alle juridische bezwaren bekend zijn en nu bekend is dat er geen analyse en onderzoek en er geen inhoudelijk overleg met de advocatuur heeft plaatsgevonden? Je gaat als rechter toch geen procespartij beknotten in zijn eis/verweer als je weet dat de regeling juridisch bezien niet houdbaar is?

De Rechtspraak heeft zich danig vergaloppeerd en moet dit herstellen

De wens tot het verkorten van doorlooptijden is er bij zowel de advocatuur als de Rechtspraak, maar ook nu weer moet de advocatuur dit realiseren. De gevolgen van het personeelsgebrek bij de Rechtspraak wordt weer neergelegd op het bordje van de advocatuur. Zonder overleg. Zonder analyse. Zonder onderzoek. Zonder juridische basis. De Rechtspraak heeft zich danig vergaloppeerd en moet dit herstellen. Om te beginnen door de regeling niet op 1 april 2021 in te laten gaan, door in overleg te treden met de NOvA, door de kritiek op de regeling serieus te nemen, door deugdelijk onderzoek te doen en door in eigen huis orde op zaken te stellen.

Citeertitel: J.M. Veldhuis, Doorlooptijden:advocaat los het op!BER 2021, afl. 2, p. 23-24.


[1] Artikel 30q Rv KEI.

[2] De regeling staat in artikel 2.11 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven en in artikel 1.1.1.5 Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven die per 1 april 2021 in werking moeten treden.

[3] Zie onder andere Van Daal, Van Berkel en Das Gupta, Luie rechters draaien het recht door gehaktmolen, NJB 2012/2363 en Van Swaaij, Maak gehakt van beperkingen aan omvang processtukken, NJB 2013/6.

[4] Onder andere De Boer, Janssen en Janssens, Limiet aan lengte processtukken: 1 april grap?, Adv. Bl. 2021-01, p. 58-60, https://www.advocatenblad.nl/2021/02/02/limiet-aan-lengte-processtukken-1-aprilgrap.

[5] Barkhuysen, Intelligent omgaan met lange processtukken, NJB 2021/1, https://www.njb.nl/blogs/intelligent-omgaan-met-lange-processtukken.

[6] Https://www.advocatenorde.nl/juridische-databank/details/wetgevingsadviezen/1385930180040319549.

Nieuwe Beslagsyllabus 2023

Griffierechten 2021: wat verandert er?

Wat is griffierecht

In 2021 veranderen de griffierechten. Griffierecht (ook wel bekend als vastrecht) zijn de kosten die een procespartij bij de start van de procedure moet betalen. Betaal je het griffierecht niet of niet op tijd, dan bestaat de kans dat de rechtbank je verzoek of vordering niet in behandeling neemt.

Wanneer wel/geen griffierecht?

Voor burgerlijke (civiele) zaken regelt de Wet griffierechten burgerlijke zaken (‘Wgbz’) wanneer iemand wel en wanneer geen griffierecht hoeft te betalen. Niet iedereen is namelijk griffierecht verschuldigd.

Over de situaties dat geen griffierecht verschuldigd is, schreef ik al eerder een tweetal blogs. Het eerste blog heet Griffierecht: welke partijen betalen geen griffierecht?. Het tweede blog heeft als titel Griffierecht: voor welke proceshandelingen niet verschuldigd?.

Griffierechten 2021

Ook dit jaar worden de griffierechten geïndexeerd en wel met +1,69%. Dit is gelijk aan de stijging van de consumentenprijsindex in de periode 31 juli 2019 t/m 31 juli 2020.

Hiermee komen de tarieven voor 2021 als volgt te luiden:

stcrt-2020-62581-griffierechten-2021

(bron: Staatscourant 2020, nr. 62581)

Wijziging Wgbz in 2021

De bovenstaande indelen van categorieën wordt naar verwachting in 2021 gewijzigd. Het streven is om extra categorieën in te voeren voor vorderingen tussen de € 500 en de € 12.5000. Hiervoor is een wetsvoorstel aanhangig bij de Tweede Kamer.[1]

Ook is een amendement aanhangig om een categorie voor vorderingen met een beloop van meer dan € 1.000.000 in te voeren met een griffierecht van € 11.034 voor niet-natuurlijke personen, € 1.727 voor natuurlijke personen en € 332 voor onvermogenden.[2]

Op het wetsvoorstel van minister Dekker is de nodige kritiek (zie onder andere hier, hier en hier) en de nabije toekomst zal uitwijzen hoe het nieuwe griffierechtenstelsel eruit zal komen te zien.


[1] Kamerstukken II 2020-21, 35 439.

[2] Kamerstukken II 2020-21, 35 439, nr. 16.

[Column] Principes verhogen de werkdruk

[Column] De corona uitstelwet: oplossing of symboolwetgeving?

Op 3 september jl. zond staatssecretaris Van ’t Woud, mede namens minister Dekker, de Tijdelijke wet COVID-19 SZW en JenV aan de Tweede Kamer.[1] Deze wet regelt onder andere de tijdelijke aanhouding van faillissementsverzoeken, schorsing van executiemaatregelen en opheffing van beslagen. De achterliggende gedachte is dat schuldenaren die een onderneming drijven in staat worden gesteld om financieel orde op zaken te stellen, als zij door de coronacrisis in de financiële problemen zijn gekomen.

De rechter kan de behandeling van een faillissementsverzoek aanhouden voor maximaal twee maanden. De schuldenaar kan daarna twee maal om een verlenging van maximaal twee maanden verzoeken. Alleen ondernemingen kunnen om aanhouding verzoeken. Zij moeten summierlijk aantonen dat de reden van het onbetaald laten van facturen uitsluitend of hoofdzakelijk het gevolg is van de uitbraak van het COVID-19-virus. De aanvrager van het faillissement mag zijn zienswijze geven en de rechter zal vervolgens, na een afweging van de belangen van schuldeiser en schuldenaar, een beslissing nemen over het aanhoudingsverzoek. Honoreert de rechter het verzoek, dan kunnen aanvragers van een faillissement hun op dat moment opeisbare vorderingen niet incasseren. De schuldenaar krijgt enkel voor deze schulden van de aanvrager een uitstel van betaling. De werking is beperkt, want het geldt dus niet voor toekomstige schulden van de aanvrager van het faillissement en ook niet voor schulden van andere schuldeisers.

Wijst de rechter het verzoek tot aanhouding of verlenging toe, dan kan hij op verzoek van de schuldenaar bepalen dat de aanvrager van het faillissement geen executiemaatregelen mag treffen en/of dat door de aanvrager van het faillissement tijdens de aanhouding gelegde beslagen tijdelijk worden opgeheven.

Wat mij verbaast, is dat men verwacht dat in totaal maar 50 schuldenaren zullen vragen om een eerste aanhouding van de faillissementsaanvraag. Voor de verlengingsaanvragen zal het naar schatting om 25 gevallen gaan.[2] Rechtvaardigen deze minieme aantallen een nieuwe wettelijke regeling en zet dit nou werkelijk zoden aan de dijk?

Het grote voordeel van de regelingen bij faillissementen is dat schuldenaren zonder advocaat kunnen verschijnen en hiermee zijn het laagdrempelige regelingen. Dit is anders bij de regelingen tot schorsing executie en opheffing beslagen buiten de faillissementsprocedure. De schuldenaar (enkel ondernemingen) kan in kort geding tijdelijke staking van de executie en/of tijdelijke opheffing van conservatoire beslagen vorderen. Ook hier geldt de voorwaarde dat de onderneming in de financiële problemen is gekomen door de coronacrisis. Een dergelijk kort geding kan naast een aanhoudingsverzoek in een faillissementsprocedure worden ingezet, maar het kan ook zonder dat een faillissementsprocedure aanhangig is.[3] Deze kort gedingen kunnen dan ook tegen alle schuldeisers worden ingezet. Wel geldt voor deze kort gedingen verplichte procesvertegenwoordiging en daarmee wordt een (financiële) drempel opgeworpen die het succes van deze regelingen wel eens in de weg kan staan.

De intentie van dit wetsvoorstel is goed. Maar het is, gezien de verwachtingen en de financiële drempel, nog maar zeer de vraag of de regelingen voet aan de grond krijgen en of het uiteindelijk niet meer dan symboolwetgeving blijkt te zijn.

Citeertitel: J.M. Veldhuis, De corona-uitstelwet: oplossing of symboolwetgeving?BER 2020, afl. 7, p. 42.


[1] Kamerstukken II 2019/20, 35 557, nr. 1 en 2.

[2] Kamerstukken II 2019/20, 35 557, nr. 2, p. 9.

[3] Kamerstukken II 2019/20, 35 557, nr. 3, p. 18.

Hoe is het met de Wet opleggen betalingsregelingen door de rechter?

Hoge Raad: coronabetekening rechtsgeldig

Vandaag hakte de Hoge Raad de knoop door over de rechtsgeldigheid van de coronabetekening.[1] De Hoge Raad oordeelt dat een coronabetekening rechtsgeldig is.

Advies AG De Bock

Dit is niet in lijn met het advies van AG De Bock. Zij concludeerde op basis van een analyse van het huidige recht dat de coronabetekening niet door de beugel kan. Zij stelde vervolgens voor dat, als de Hoge Raad ook meent dat de coronabetekening niet rechtsgeldig is, de Hoge Raad een regel van overgangsrecht maakt. Deze regel zou kunnen inhouden dat de beslissing van de Hoge Raad geen gevolgen heeft voor de geldigheid van exploten die zijn betekent voor de uitspraak van de Hoge Raad.[2]

Verzamelspoedwet COVID-19

De Hoge Raad kiest echter voor een andere benadering en baseert zijn oordeel op de op 16 juni 2020 in de Eerste Kamer aangenomen Verzamelspoedwet COVID-19. Deze Verzamelspoedwet regelt dat coronabetekeningen met terugwerkende kracht tot en met 16 maart 2020 toch rechtsgeldig zijn.

Beetje bang

In mijn vorige blog schreef ik al dat ik hier een beetje bang voor was. Omdat de Hoge Raad geen overwegingen ten overvloede maakt, komen we helaas niet te weten hoe de Hoge Raad tegen deze interessante kwestie, die tot veel discussie leidde, aankijkt. Positief is dat er nu duidelijkheid is voor de praktijk.


[1] HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1088.

[2] Concl. A-G De Bock 4 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:442, par. 2.73.

Nieuwe Beslagsyllabus 2023

Code zaakstoedeling

De Code zaakstoedeling klinkt als een naam voor geheime operatie of een boek van Tom Clancy, maar dat is het niet. De Code zaakstoedeling regelt de verdeling van rechtszaken onder rechters.

Transparant

De zaakverdeling onder rechters is nog niet formeel geregeld en ieder gerecht doet dit op zijn eigen manier. En hoe de zaken werden verdeeld, is voor de procespartijen niet duidelijk. Dit vindt de Rechtspraak niet meer van deze tijd en daarom is deze code opgesteld.

Doel Code zaakstoedeling

Het doel van de Code zaakstoeldeling is dat de toewijzing van rechtszaken aan rechters gebeurt op basis van objectieve maatstaven. Deze objectieve maatstaven moeten ervoor zorgen dat rechtszaken onpartijdig, deskundig en tijdig worden behandeld.

Bestuursreglementen

De Code zaakstoedeling bevat slechts uitgangspunten. Dit is de reden dat er geen concrete regels voor de verdeling van zaken in staan. Dit laatste zal elk rechtsbestuur doen in een nog op te stellen bestuursreglementen voor de verdeling van zaken.

De verdeling moet op een ‘aselecte’ manier gebeuren en de Rechtspraak ontwikkelt een hiervoor geautomatiseerd systeem.

Afwijken

In bepaalde gevallen kan men afwijken van de aselecte verdeling. Als een gerecht een zaak ontvangt, beoordeelt men of die zaak een ‘toedeling op maat’ nodig heeft. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als het een potentieel zeer geruchtmakende zaak is of een megazaak. Bij toedeling op maat koppelt men de zaak aan een specifieke rechter die geschikt is om een dergelijke zaak te behandelen.

Tekst Code zaakstoedeling

De Code zaakstoedeling bestaat uit de volgende zeven artikelen:

  1. De toedeling van rechtszaken aan rechters vindt plaats onder eindverantwoordelijkheid van het gerechtsbestuur, zonder inmenging van buitenaf.
  2. Het gerechtsbestuur stelt per rechtsgebied een zaakstoedelingsregeling vast en maakt die openbaar.
  3. De toedeling van zaken vindt plaats op een objectieve wijze die de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van tijdige en deskundige rechtspraak waarborgt.
  4. De toedeling van zaken vindt in beginsel op aselecte wijze plaats. In de zaakstoedelingsregeling wordt bepaald welke categorieën van zaken niet aselect worden toegedeeld, omdat de toedeling ervan maatwerk vergt.
  5. De naam van de rechter wordt tijdig aan partijen bekend gemaakt.
  6. Na toedeling van een zaak aan een rechter handelt deze de zaak in beginsel zelf af.
  7. Een rechterswisseling wordt met opgave van redenen aan partijen medegedeeld.

De Code zaakstoedeling met een toelichting per artikel vind je hier.

Misschien ook interessant…

Vond je dit interessant? Dan vind je mijn blog Publicatie van uitspraken misschien ook interessant.

[Column] Principes verhogen de werkdruk

[Column] Aanpassing griffierechten: een goed idee, maar niet zo

Minister van rechtsbescherming Sander Dekker wil het procederen bij de kantonrechter goedkoper maken.[1] Hiervoor zijn twee redenen. De eerste reden is dat de griffierechten voor lage vorderingen inmiddels zo hoog zijn dat het een afschrikkende werking heeft en dat steeds minder (rechts)personen zich tot de rechter wenden. De tweede reden is dat het hoge griffierecht een blok aan het been is voor debiteuren en het kan hen (verder) de schulden in drukken. Deze problematiek speelt al langer en op deze plek wijdde ik er in november 2018 al eens een column aan.[2]

Het plan is om de griffierechten voor vorderingen tot van € 500 tot € 5.000 voor rechtspersonen en voor vorderingen van € 500 tot € 1.500 voor natuurlijke personen te verlagen. De verlaging voor vorderingen tot € 2.500 voor rechtspersonen is aanzienlijk, maar voor de categorie €2 .500 – € 5.000 is de verlaging slechts 5% (van € 486 naar € 460).

De rechtstaat moet zo min mogelijk kosten volgens Minister Dekker en hij meent dat het verlagen van de griffierechten moet worden gecompenseerd door het verhogen van de griffierechten voor vorderingen vanaf € 5.000. Budgetneutraal noemt hij dit. Deze verhoging bedraagt maar liefst 35%.

In de periode 2011-2017 leidde een sterke stijging van de griffierechten in kantonzaken tot een daling van 38% van het aantal zaken en een verlaging van het griffierecht in hoger beroep leidde tot een stijging van het aantal zaken. Er is dus een direct verband tussen een stijging van griffierechten en daling aantal rechtszaken.[3] De verhoging met 35% van de griffierechten van vorderingen vanaf € 5.000 zal dus leiden tot een aanzienlijke daling van het aantal zaken. Dit gegeven moet worden meegenomen in de cijfermatige onderbouwing van het voorstel. Maar… die cijfermatige onderbouwing ontbreekt. Het is dus niet duidelijk of dit voorstel ook daadwerkelijk budgetneutraal is. En dat is toch wel het minste dat je mag verwachten.

Overigens moet je je afvragen of deze extreme stijging nog wel nodig is, gezien het feit dat de Rechtspraak er de komende drie jaar gemiddeld € 95 miljoen per jaar bij krijgt. En dus moet je je afvragen of de voorgenomen verlaging nog wel budgetneutraal moet gebeuren. Temeer omdat dat het rapport Incassozaken concludeert dat de voorwaarde van budgetneutraliteit moeilijk te verdedigen is.[4]

Een saillant detail is dat in het regeerakkoord is afgesproken dat de griffierechten, behoudens indexatie, niet zullen stijgen[5] en minister Dekker hetzelfde regeerakkoord in het op 7 november 2019 gevoerde debat over de gefinancierde rechtsbijstand aangrijpt om geen extra geld vrij te hoeven maken voor de gefinancierde rechtsbijstand.[6] De minister is dus nogal selectief in het streng de hand houden aan het regeerakkoord naar gelang het hem uitkomt.

Door het probleem van de ontoegankelijke rechter voor lage vorderingen op deze wijze op te lossen, creëer je hetzelfde probleem voor hogere vorderingen. Kortom, het probleem wordt verschoven.

Een meer fundamentele herziening van het griffierechtstelsel lijkt me beter dan dit onevenwichtige voorstel. Voorwaarde hierbij moet wel zijn dat het de eis van budgetneutraliteit wordt losgelaten en dat de opties cijfermatig worden onderbouwd.

Citeertitel: J.M. Veldhuis, Aanpassing griffierechten: een goed idee, maar niet zoBER 2020-1, p. 28.


[1] De internetconsultatie eindigde op 30 september 2019, https://www.internetconsultatie.nl//1450.

[2] J.M. Veldhuis, De onbereikbare rechter, BER 2018-7, p. 26-27.

[3] T. Vleeschhouwer, Griffierechten vanuit rechtseconomisch oogpunt, TCR 2017, p. 130.

[4] R.G. de Lange-Tegelaar e.a. Incassozaken, Rapport van de coördinatiegroep incassozaken 14 september 2018, p. 21.

[5] Vertrouwen in de toekomst, regeerakkoord 2017-2021, p. 5.

[6] Zie ook: Minister Dekker voor Rechtsbescherming: ‘Niet overal hoeft standaard een advocaat bij’, de Volkskrant 7 november 2019.

Hoe is het met de Wet opleggen betalingsregelingen door de rechter?

Spoedwet KEI: einde digitaal procederen en wijzigingen burgerlijk procesrecht

Vandaag (1 oktober 2019) treedt de Spoedwet KEI in werking. Deze wet regelt het einde van de KEI-pilots bij de rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland.

Concreet betekent dit dat er geen nieuwe digitale procedures meer worden begonnen; we moeten dus weer verplicht op papier procederen. De reeds lopende digitale procedures worden natuurlijk wel afgemaakt. Voor deze rechtbanken geldt vanaf vandaag het ‘gewone’ burgerlijk procesrecht weer en ze lopen dus weer in de pas met de overige rechtbanken. Bij de twee pilotrechtbanken begint een procedure vanaf vandaag  dus ook weer met een dagvaarding in plaats van een procesinleiding en oproepingsbericht.

Wijzigingen burgerlijk procesrecht

Het ‘gewone’ burgerlijk procesrecht is per vandaag ook op enkele punten gewijzigd. Het doel hiervan is om de rechter een sterkere regiefunctie te geven en het uitbreiden van de mogelijkheden tijdens de mondelinge behandeling (voorheen comparitie). Ook schaft de Spoedwet KEI het pleidooi af. Deze wijzigingen zijn overgenomen uit het burgerlijk procesrecht zoals dat voor KEI gold (artikel 30k-30n Rv KEI).

Mondelinge behandeling

De grootste verandering is het vervangen van de mondeling behandeling in de plaats van de comparitie. De rechter kan de mondelinge behandeling naar eigen goeddunken inrichten. De mondelinge behandeling is meer omvattend dan de comparitie. De rechter zal mondelinge behandeling nog steeds gebruiken om inlichtingen te krijgen en om te proberen om een schikking te bereiken. Maar de rechter kan meer. Zo kan de rechter bevelen dat een partij een getuige of deskundige meeneemt naar de zitting. Overigens kunnen partijen dit ook uit eigen beweging doen, maar de partij die de getuige of deskundige wil meenemen moet dit wel ruim van tevoren aangeven (zie de procesreglementen onder aan dit blog).

Geen proces-verbaal

Wat ook verandert, is dat het opmaken van een proces-verbaal van de zitting niet meer wettelijk verplicht is. In de praktijk werd het opmaken van een proces-verbaal al vaak achterwege gelaten. Vooral kantonrechters maakten zich hier schuldig aan. Vanaf vandaag mag dat dus. Een proces-verbaal moet worden opgemaakt op verzoek van een partij als die partij daar belang bij heeft of op verzoek van de hogerberoepsrechter of de Hoge Raad. Ook kan de rechter het uit eigen beweging doen.

Pleidooi afgeschaft

Het pleidooi is niet meer. Althans het is geen aparte proceshandeling meer. Ook dit is overgenomen uit het burgerlijk procesrecht onder KEI. De redenatie is dat partijen hun standpunten altijd mondeling kunnen toelichten tijdens de mondelinge behandeling en daarom is het pleidooi niet meer nodig. Ik ben benieuwd hoe dit in de praktijk zal uitpakken.

Het pleidooi in cassatie blijft wel bestaan, omdat dit het karakter heeft van rechtsgeleerde toelichting op de cassatiemiddelen. Het karakter is dus anders dan het pleidooi in eerste aanleg en in hoger beroep, aldus de Minister.

Nieuwe procesreglementen

Vanzelfsprekend zijn de procesreglementen van de rechtbanken en de gerechtshoven aangepast naar dit nieuwe procesrecht. De nieuwe procesreglementen vind je hier:

In naam van de Koning of In naam des Konings?

In naam van de Koning of In naam des Konings?

Een partij die een procedure wint, krijgt een vonnis die is opgemaakt in executoriale vorm (een ‘grosse’).[1] Dit betekent bovenaan het vonnis ‘In naam van de Koning’ staat. Als gevolg daarvan kan de deurwaarder de uitspraak ten uitvoer leggen, bijvoorbeeld door het leggen van beslag. Voorwaarde is wel dat de uitspraak aan de veroordeelde is betekend.[2]

 

In naam van de Koning

Sinds 1890 zette men boven een vonnis ‘In naam der Koningin’. Toen Willem-Alexander vervolgens in 2013 de troon besteeg, veranderde dit in ‘In naam des Konings’. Omdat men dit – ten tijde van de troonsopvolging kennelijk niet, maar kort daarna wel – ouderwets taalgebruik vond, is dit aangepast. Daarom staat er sinds 1 juli 2015 ‘In naam van de Koning’ boven een vonnis.[3] De vonnissen met het opschrift ‘In naam der Koningin’ en ‘In naam des Konings’ zijn nog steeds geldig.

 

Tweede grosse van oud vonnis

Stel, je vraagt een tweede exemplaar van een vonnis van vóór 1 juli 2015 op [4] en de rechtbank zet op dit tweede exemplaar niet ‘In naam des Konings’, maar ‘In naam van de Koning’. Is dit correct en kan dit vonnis ten uitvoer worden gelegd?

Het antwoord op beide vragen vraag is: ja.

Sinds de wetswijziging van 1 juli 2015 schrijft het wetboek van burgerlijke rechtsvordering voor dat de grosse van een vonnis moet zijn voorzien van de woorden ‘In naam van de Koning’. Deze regel geldt ook als een tweede exemplaar van de grosse van een vonnis van voor 1 juli 2015 wordt verstrekt.

 

Verwarring?

Kortom, het kan dus voorkomen dat de tweede grosse vonnis uit bijvoorbeeld 1978 het opschrift ‘In naam van de Koning’ heeft in plaats van ‘In naam der Koningin’. Leidt dit niet tot verwarring? Nee, dat verwacht ik niet omdat op elke grosse de datum van afgifte staat[5] en ook vermeldt de grosse – voor zover bekend – de hoeveelste grosse het is.[6]

 

=====

[1] Artikel 231 lid 1 Rv en artikel 290 lid 3 Rv.

[2] Artikel 430 lid 1 en 3 Rv.

[3] Artikel 430 lid 2 Rv.

[4] Artikel 231 lid 2 Rv en artikel 290 lid 4 Rv.

[5] Artikel 231 lid 3 Rv en artikel 290 lid 5 Rv.

[6] Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 407 en Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 451.

%d bloggers liken dit: