“Ik ga verkennen […] of tot een afschaffing van het onderscheid tussen dagvaarding en verzoekschrift kan worden gekomen”, aldus minister Weerwind in juni 2023.[1]

Het voordeel van een verzoekschrift is namelijk dat de rechtzoekende deze zelf kan indienen bij de Kamer voor kantonzaken van de rechtbank. Betekening door een deurwaarder is niet nodig. En dat scheelt geld en maakt procederen laagdrempeliger.

Het is echter niet de eerste keer dat de toegang tot de rechter vereenvoudigd moet worden.

Recent was het onderscheid tussen dagvaarding en verzoekschrift daadwerkelijk verdwenen. De procesinleiding van het fiasco KEI[2] verving de dagvaarding en het verzoekschrift.[3] Het was zelfs mogelijk om een vordering en een verzoek in één procesinleiding op te nemen.[4] Met het indienen van de procesinleiding bij het gerecht kon de eiser een procedure aanhangig maken zonder tussenkomst van een deurwaarder. Maar, net als bij de hierna te bespreken dagvaardingsformulierprocedure, gold dat slechts verstek kon worden verleend na betekening door een deurwaarder.[5]

In de jaren 90 was het ook al mogelijk om zelf een vordering aanhangig te maken. Dus zonder tussenkomst van een deurwaarder. In 1991 werd de dagvaardingsformulierprocedure ingevoerd. Het doel was om met name voor particuliere rechtzoekenden een laagdrempelige en eenvoudige rechtsingang te creëren. Eisers konden zelf een dagvaardingsformulier invullen en voorzien van bewijsstukken. Vervolgens dienden eisers dit zelf in bij de griffie. Deze stuurde het dagvaardingsformulier met eventuele bijlagen per aangetekende post aan de gedaagde partij. Dit bleek geen succes vanwege de vele praktische bezwaren die opspeelden. Denk aan het verkeerd vermelden van de (rechts)persoonlijkheid van de gedaagde met executieproblemen tot gevolg, het formulier dat niet werd bezorgd en afgehaald en dan moest alsnog een dagvaarding worden betekend en onjuist ingevulde formulieren leidden tot vertraging van de procedure omdat eiser de fouten moest herstellen.[6] Ook leidde het tot een verzwaring van de werkdruk van de griffies en het gebruik bleef achter bij de verwachtingen. In 2002 werd de dagvaardingsformulierprocedure daarom afgeschaft.

Nu wil minister Weerwind in 2023 weer gaan verkennen of het mogelijk is om zaken laagdrempelig aan te brengen. In 1994 werd de dagvaardingsprocedure geëvalueerd.[7] De volgende passage uit het evaluatierapport wil ik jullie niet onthouden:

“In plaats van aandacht te richten op de vraag in welke mate de wetswijziging voorwaarden realiseert die het eisers aantrekkelijk zouden maken om op andere wijze te gaan procederen dan tot dan gebruikelijk was, lijkt de wetgever primair te argumenteren in termen van procesrechtelijke wenselijkheid van een dergelijke rechtsingang waarbij de praktische betekenis (d.w.z. de gevolgen ervan voor zowel de procespartijen als voor de rechtsverzorgers) op de achtergrond blijft.” [8]

Aansluitend verwijst het rapport naar een parlementaire discussie uit 1952. Toen vond men, net als bij de totstandkoming van het dagvaardingsformulier en de huidige discussie anno 2023, dat het geding te lang duurt, de procedure zo ingewikkeld is dat men een gemachtigde moet inschakelen en de kosten (te) hoog zijn.[9]

Het lijkt wel een terugkerende rituele dans die wordt opgevoerd. Een dans volgens een vast patroon. Aanpassen van de dans mag niet. Ervaringen uit het verleden doen niet ter zake.

Binnenkort wordt de rituele dans dus weer opgevoerd. En de uitkomst? Vanuit procesrechtelijke wenselijkheid moeten maatregelen worden genomen om het voor de eiser aantrekkelijk te maken om op een andere wijze te gaan procederen dan tot nu toe gebruikelijk is.

Deze column is afgesloten op 12 november 2023.

Citeertitel: J.M. Veldhuis, “De rituele dans“, BER 2023, afl. 8, p. 25-26.


[1] Kamerstukken II 2022/23, 29279, nr. 800, p. 4.

[2] KEI was het programma Kwaliteit en Innovatie rechtspraak.

[3] Artikel 30a Rv KEI.

[4] Artikel 30b Rv KEI.

[5] Artikel 112 lid 2 Rv KEI en Kamerstukken II 2014/15, 34059, nr. 3, p. 6 en 87.

[6] Kamerstukken II 1999/00, 26855, nr. 5, p. 47.

[7] A. Klein, C. Cozijn en G. Paulides, De civiele procedure bij de kantonrechter: evaluatie van een vernieuwing, WODC 1994.

[8] A. Klein, C. Cozijn en G. Paulides, De civiele procedure bij de kantonrechter: evaluatie van een vernieuwing, WODC 1994, p. 23.

[9] A. Klein, C. Cozijn en G. Paulides, De civiele procedure bij de kantonrechter: evaluatie van een vernieuwing, WODC 1994, p. 23-24 met verwijzingen.