Pilot huurzaken: de rechter procedeert mee

Pilot huurzaken: de rechter procedeert mee

Pilot huurzaken

In huurzaken woningruimte waarin sprake is van een huurachterstand experimenteren de Amsterdamse kantonrechters sinds februari 2018 met een nieuwe aanpak onder de naam pilot huurzaken.

Dit experiment staat niet op zich. De Rechtspraak experimenteert sinds een aantal jaar met alternatieve procedures, zoals de spreekuurrechter,de second opinionprocedure bij het gerechtshof Den Haag en de recent afgeschafte eKantonrechter.

Woningcorporaties

De rechtbank Amsterdam trekt in deze pilot met op met de woningcorporaties Eigen Haard, Stadgenoot en Ymere. De pilot heeft dus een beperkte omvang (net als de pilot van de spreekuurrechter in Noord-Nederland); dit om de pilot beheersbaar te houden.

Doel

Het doel van de pilot huurzaken is om zo vroeg mogelijk betalingsregelingen te treffen en om die in een vonnis vast te leggen. Op die manier worden de proceskosten voor de huurder beperkt, probeert men het oplopen van de huurachterstand tegen te gaan en wordt ontruiming voorkomen (als dat wordt gevorderd). Zowel de huurder als de woningcorporatie (verhuurder) zouden hier baat bij hebben.

Als de discussie niet alleen om de huurachterstand (en een eventuele ontruiming) gaat, maar bijvoorbeeld ook om overlast van de huurder of gebrekkig onderhoud door de verhuurder, dan is de zaak niet geschikt voor de pilot huurzaken. De zaak wordt dan volgens de normale regels van de kantonprocedure afgehandeld.

Vier ervaren kantonrechters behandelen zaken van de pilot huurzaken.

De procedure

Als een huurder is gedagvaard, kan hij verweer voeren op de rolzitting waartegen hij is gedagvaard. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. Op een rolzitting wordt geen discussie gevoerd over de vordering en er wordt ook niet geprobeerd om te schikken. In de pilot huurzaken is dit anders.

Rolzitting

Als de huurder op de eerste rolzitting verschijnt dan worden geprobeerd om een betalingsregeling te treffen. Omdat niemand van de woningcorporatie aanwezig is, probeert de rechter een regeling te treffen. Lukt dat, dan wordt dit vastgelegd in een vonnis. De huurder wordt dan veroordeeld om

(i) de betalingsregeling na te komen;

(ii) de lopende huur te betalen; en

(iii) voldoet de huurder niet aan (i) en (ii), dan wordt de huurovereenkomst ontbonden en de ontruiming toegewezen.

Het is gebruikelijk dat beide partijen de eigen proceskosten dragen als een schikking wordt getroffen. Wordt een vonnis gewezen, dan moet de verliezende partij meestal de proceskosten betalen. Gezien het doel van de pilot huurzaken zou je verwachten dat beide partijen de eigen proceskosten dragen als een schikking wordt bereikt, maar zover willen de woningcorporaties niet gaan. De rechter bepaalt de proceskosten op één punt van het liquidatietarief en de kosten van de dagvaarding. Deze kosten worden meegenomen in de betalingsregeling en worden dus in termijnen betaald.

Op 1 juni 2018 waren er ongeveer 75 zaken behandeld in het kader van deze pilot en in bijna alle gevallen werd een minnelijke schikking bereikt.

Comparitie

Het kan natuurlijk ook gebeuren dat er geen schikking wordt getroffen. In dat geval wordt de zaak verwezen naar een comparitiezitting (op grond van de artikelen 87 en 88 Rv). De comparitie wordt twee weken later gehouden. Deze korte termijn is bedoeld te voorkomen dat de huurachterstand verder oploopt en om de kans op ontruiming te verkleinen.

Voorafgaand aan de comparitie mag de huurder zijn schriftelijke verweer (conclusie van antwoord) en eventueel een tegenvordering indienen.

Op de comparitie zal wel iemand van de woningcorporatie of het deurwaarderskantoor aanwezig zijn en de huurder zal worden geadviseerd om een (schuld)hulpverlener mee te nemen. De insteek is hetzelfde als op de rolzitting, namelijk het treffen van een betalingsregeling. Wordt een regeling afgesproken, dan wordt dit vastgelegd in een vonnis; zie hiervoor de punten (i), (ii) en (iii).

Schuldhulp

Vanaf dinsdag 5 juni 2018 wordt de pilot uitgebreid en zullen gedagvaarde huurders ook actief worden doorverwezen naar de schuldhulpverlening. In dat kader zal iemand van de gemeente Amsterdam aanwezig zijn bij de rolzitting.

Evaluatie

Eind 2018 wordt de pilot geëvalueerd en zal er ook worden onderzocht of het mogelijk is dat andere andere woningcorporaties aansluiten bij de pilot huurzaken.

Kritische kanttekening

De achterliggende gedachte en het doel van de pilot huurzaken is goed, maar er is een principieel bezwaar.

Verschijnt de huurder op de eerste rolzitting, dan wordt geprobeerd om een betalingsregeling te treffen. Op deze zitting is niemand van de woningcorporatie aanwezig en het is de rechter die namens de woningcorporatie de schikkingsonderhandelingen voert. De rechter die ik sprak over de pilot huurzaken, bevestigde dit. De rechter heeft een mandaat van de woningcorporaties met een bepaalde bandbreedte waarbinnen hij kan manoeuvreren om tot een schikking te komen. Dit is opvallend en onwenselijk.

De rechter treedt op als gemachtigde van de woningcorporatie. Hierdoor komt rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid in het geding. Ook heeft de rechter een groot overwicht op de meeste gedaagden en zij zullen zich gedwongen voelen om een schikking te treffen. Dit kan een verklaring zijn waarom in bijna alle zaken een minnelijke schikking wordt bereikt. Je kan je zelfs afvragen of dit een reden is om de rechter te wraken.

Zowel over de huurachterstand als over het beëindigen van de huur kunnen partijen afspraken maken (artikel 7:271 lid 8 BW). Het is gebruikelijk om deze afspraken vast te leggen in een proces-verbaal dat beide partijen ondertekenen. De vraag die rijst, is wat de reden is om de afspraken in een vonnis op te nemen?

Ik vermoed dat de rechter zal het proces-verbaal niet namens de woningcorporatie wil (en mag?) ondertekenen, ondanks dat hij ter zitting optreedt als gemachtigde van de woningcorporatie. Door een vonnis te wijzen, wordt dit probleem omzeilt en naar buiten toe lijkt het dan dat hij onafhankelijk een vonnis heeft gewezen, terwijl hij optrad namens een procespartij.

Voor zover mij bekend, zijn er nog geen uitspraken van de pilot huurzaken gepubliceerd op rechtspraak.nl. Ik ben benieuwd hoe de rol van de rechter in het vonnis bij het bereiken van de minnelijke regeling wordt omschreven. Het zou vreemd zijn als in het vonnis staat dat gedaagde is verschenen, maar eiseres niet en dat er vervolgens een minnelijke regeling tot stand is gekomen.

Gebrekkige informatieverstrekking

Opvallend genoeg is op de website van de rechtbank Amsterdam geen informatie te vinden over deze pilot. De rechter die ik sprak, wist niet waarom dit het geval is. Hier ligt dus nog een taak voor Rechtspraak.

Gedragsregels 2018 gepubliceerd!

Gedragsregels 2018 gepubliceerd!

Iets later dan aangekondigd, zijn vanochtend dan eindelijk de Gedragsregels 2018 gepubliceerd.

Er is het nodige veranderd aan de gedragsregels en de toelichting daarop. Onder andere is het aantal gedragsregels is afgenomen van 39 naar 29. De opvallendste wijzigingen zijn op het eerste gezicht het afschaffen van de confraternele correspondentie en de mogelijkheid om nieuwe cliënten te werven via koppelsites.

In plaats van een statische toelichting, is dit keer gekozen voor een ‘levende toelichting’. Dit betekent dat de toelichting op de gedragsregels – dus niet de gedragsregels zelf! – kunnen worden aangepast als daar aanleiding toe bestaat.

De Gedragsregels 2018 gelden per direct en de Gedragsregels 1992 kunnen de prullenbak in.

De Gedragsregels 2018 met toelichting lees je hieronder, maar je kan ze ook downloaden om op een later moment rustig te lezen.

 

Lader Bezig met laden...
EAD logo Duurt het te lang?

Opnieuw laden Laad het document opnieuw
| Open Openen in nieuwe tab

Downloaden

 

Landelijke invoering digitaal procederen vertraagd

Landelijke invoering digitaal procederen vertraagd

Afgelopen 1 september startte de eerste pilotfase van het digitaal procederen en het nieuwe procesrecht (civiel 1.0). De pilot loopt alleen bij de rechtbanken Midden-Nederland en Gelderland en geldt alleen voor schuldvorderingen van meer dan € 25.000.

Streven

Het streven was dat de pilot vanaf december zou worden geëvalueerd en dat het digitaal procederen voor deze vorderingen in het voorjaar van 2018 landelijk zou worden ingevoerd. Dit lijkt niet te gaan lukken, zo bericht het Advocatenblad.

De Nederlandse Orde van Advocaten (‘NOvA’) vindt dat er meer tijd moet worden vrijgemaakt voor de evaluatie van de pilot Civiel 1.0 en de Rechtspraak zou daarvoor open staan. Meer concreet zouden er eerst een aantal procedures volledig moet zijn doorlopen voordat er wordt geëvalueerd.

Hoeveel vertraging wordt opgelopen, is mij niet bekend.

Een beetje vreemd…

Dit uitstel krap drie weken na de start van de eerste pilot bevreemdt mij wel een beetje, omdat dit ook van tevoren kon worden bedacht en de NOvA steeds nauw betrokken is bij het programma KEI, de wijze van invoering en de planning.

Fases

De andere fases van het Programma KEI zijn voor wat betreft de civiele procedures:

 

Civiel 2.0 vorderingszaken in hoger beroep

Civiel 3.0 vorderingszaken zonder verplichte procesvertegenwoordiging (kantonzaken)

Civiel 4.0 verzoekprocedures in alle instanties

Civiel 5.0 kort gedingzaken

Als een pilot naar behoren werkt, dan wordt die fase landelijk ingevoerd. Vervolgens wordt gestart met de pilot van de volgende fase.
Stichting derdengelden: de nieuwe regeling

Stichting derdengelden: de nieuwe regeling

Eerder zette ik al enkele kritische kanttekeningen bij de regels voor de stichting derdengelden voor advocaten (zie hier en hier). De Nederlandse Orde van Advocaten zegde toe de regels aan te passen en heeft dat nu gedaan. Per 1 januari 2017 gelden enkele nieuwe regels.

Geen verplichting

Ontvangt een advocaat in de uitoefening van zijn praktijk geen derdengelden, dan hoeft hij geen stichting derdengelding meer te hebben. Deze verplichting vervalt dus, zoals al eerder werd aangekondigd. Wel moet de advocaat schriftelijk aan de deken meedelen dat hij geen stichting derdengelden ter beschikking heeft. Mocht dit wijzigen, dan moet hij de deken hiervan schriftelijk op de hoogte stellen.

Nieuw is dat een advocatenkantoor geen eigen stichting derdengelden hoeft op te richten. Zij kan zich ook aansluiten bij een overkoepelende stichting derdengelden die voor elk aangesloten advocatenkantoor een derdengeldrekening opent. Hiermee wordt het probleem, dat het voor advocaten van eenmanskantoren erg lastig is om een geschikte medebestuurder te vinden, ondervangen.

Het kan voorkomen dat een advocaat die geen derdengeldrekening heeft, toch derdengelden op zijn kantoorrekening ontvangt. Gebeurt dat, dan moet hij dit zo spoedig mogelijk aan de rechthebbende doorstorten of hij moet zich alsnog aansluiten bij een stichting derdengelden en het geld via de stichting laten lopen. Dit omdat het niet is toegestaan om derdengelden op de kantoorrekening te ontvangen.

Bestuur

Eén van mijn kritiekpunten was dat geen enkele advocaat in loondienst bestuurslid kon worden bij een stichting derdengelden. Als reden werd aangevoerd “er is dan namelijk sprake van een gezagsverhouding met de werkgever, wat maakt dat de advocaat mogelijk niet volledig vrij en onafhankelijk kan opereren”.

Niet onderkent was dat een advocaat die in loondienst is bij een ander advocatenkantoor dan die waarvoor de stichting derdengelden is opgericht, ook geen bestuurslid kon worden. Dit terwijl er dan geen gezagsverhouding is. Dit is nu gelukkig hersteld.

Per 1 januari 2017 kunnen de volgende personen niet tot bestuurder van een stichting derdengelden worden benoemd:

  1. advocaat-stagiaires, met uitzondering van stagiaire-ondernemers die niet werken onder begeleiding van een bestuurder van de stichting;
  2. diegenen die onder verantwoordelijkheid werken van of ondergeschikt zijn aan een bestuurder van de stichting;
  3. diegenen die in dienst zijn bij het kantoor van een bestuurder van de stichting of bij het kantoor dat is aangesloten bij de stichting.

Overigens mag een advocaat alleen derdengelden ontvangen op de derdengeldrekening als deze direct te relateren zijn aan een zaak en deze gelden ook functioneel zijn voor het verloop van die zaak, aldus de toelichting op het vernieuwde artikel 6.22 Verordening op de advocatuur.

Landelijke invoering digitaal procederen vertraagd

Hoe wordt een advocaat beëdigd?

Om als advocaat te worden beëdigd, moet je aan verschillende voorwaarden voldoen. De meest voor de hand liggende is dat je meester in de rechten moet zijn. Dit betekent dat je met succes een rechtenstudie aan een universiteit in de EU hebt afgerond.

Rondde je met succes een rechtenstudie af aan een universiteit buiten de EU, dan moet je eerst een bachelor en master halen aan een Nederlandse universiteit. Ook moet je diploma voldoen aan het Besluit beroepsvereisten advocatuur (civiel effect).

 

Verzoekschrift

Voordat de beëdiging plaats kan vinden, moet je een verzoekschrift indienen bij de Raad van de Orde van Advocaten (‘Raad’) in het arrondissement waar de advocaat kantoor wil gaan houden. Als alle benodigde stukken zijn ingediend, zal de Raad het verzoek doorsturen aan de rechtbank. In het verzoekschrift verzoek je de rechtbank om je te beëdigen als advocaat. Voldoe je aan alle eisen, dan wordt je uitgenodigd voor de beëdigingszitting.

 

De advocateneed

Tijdens de beëdigingszitting draag je als toekomstig advocaat een toga met bef. De officier van justitie draagt je tijdens de zitting formeel voor om te worden beëdigd. Aansluitend leg je de advocateneed af. De eed (belofte) luidt:

“Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet, eerbied voor de rechterlijke autoriteiten, en dat ik geen zaak zal aanraden of verdedigen, die ik in gemoede niet gelove rechtvaardig te zijn.”

Het is ook mogelijk om de eed (belofte) in het Fries af te leggen, omdat het Fries een officiële taal is:

“Ik swar (ûnthjit) trou oan de Kening, it neilibjen fan ’e Grûnwet, earbied foar de rjochterlike autoriteiten, en dat ik gjin saak oanrikkemandearje of ferdigenje sil, dêr’t ik ynderlik fan oertsjûge bin dat dy net rjochtfeardich is.”

Deze eed is gebaseerd op de bij keizerlijk decreet uit 1810 door Napoleon voorgeschreven advocateneed.

Ben je christen, dan kan je de eed afleggen en ben je geen christen dan leg je de belofte af. Je staat op, steekt de wijs- en middelvinger van je rechterhand op en zegt “zo waarlijk helpe mij God almachtig” of je zegt “dat beloof ik”.

In de praktijk vinden vaak beëdigingen tegelijkertijd plaats. In dat geval leest de rechter de eed/belofte voor en vraagt vervolgens of je de eed of de belofte af wilt leggen. In augustus worden traditioneel veel advocaten beëdigd.

En dan ben je advocaat.

 

En nu?

Ben je eenmaal beëdigd, dan wordt je ingeschreven op het tableau. Je bent volwaardig advocaat, maar gedurende je advocaatstage – in principe drie jaar – onder supervisie van een patroon. Een patroon is een ervaren advocaat die je begeleidt. Dit kan aan de hand van een door de Orde opgestelde checklist best practice patroons en het door de orde uitgegeven portfolio.

Ook moet je de beroepsopleiding advocaten volgen. Op de website van de beroepsopleiding advocaten vind je praktische informatie over de beroepsopleiding, maar ook blogs van advocaat-stagiaires die de beroepsopleiding volgen. De beroepsopleiding is ook actief op Twitter.

Stichting derdengelden: de nieuwe regeling

Stichting Derdengelden: roerige tijden

Het zijn roerige tijden voor de stichting derdengelden. Sinds 1 januari 2016 zijn de beperkingen om bestuurder te worden van de stichting derdengelden uitgebreid (zie mijn vorige blog) en nu is sprake van mogelijke alternatieve opzet van de regeling voor de stichting derdengelden.

NOvA toch te streng?

Kort gezegd kan je per 1 januari 2016 geen bestuurder worden als je een advocaat in loondienst bent.[1] De reden hiervan is:

“Er is dan namelijk sprake van een gezagsverhouding met de werkgever, wat maakt dat de advocaat mogelijk niet volledig vrij en onafhankelijk kan opereren.” [2]

Persoonlijk vind ik dit te ver gaan. Je bent als natuurlijke persoon en niet als advocaat bestuurder van de stichting. Er is dus helemaal geen sprake van een gezagsverhouding. Je werkgever heeft ook geen inzage c.q. invloed op je werkzaamheden als bestuurder.

Uit de Rapportage resultaten enquête project derdengelden uit november 2015 – dus vóór de inwerkingtreding van het verbod voor advocaten in loondienst – blijkt dat het voor advocaten van eenmanskantoren lastig is om een medebestuurder te vinden die aan de eisen voldoet.[3] Toch heeft men gemeend deze beperking door te moeten voeren. Waarom is onbekend.

Verder geldt dat dit verbod enkel advocaten treft en niet andere personen die bestuurder willen worden. Hierbij moet je denken aan accountants of andere vrije beroepsbeoefenaren.[4] Terwijl in die gevallen ook sprake is van een gezagsverhouding. Onduidelijk is waarom dit onderscheid is gemaakt.

De NOvA heeft toegezegd dit punt van kritiek zal worden meegenomen in het kader van het Project Derdengelden (zie hierna).

Project derdengelden

Het project derdengelden heeft als insteek het verlichten van de (administratieve) lasten voor de advocaat, zonder dat het ten koste gaat van de bescherming van derdengelden.[5] In dit kader onderzoekt de algemene raad van de NOvA of er alternatieven denkbaar zijn voor het huidige derdengeldensysteem.

Vandaag maakte de NOvA in haar maandelijkse Ordebericht bekend:

“Afschaffing verplichte stichting derdengelden

De verplichting om over een stichting derdengelden te beschikken is sinds de introductie in 1998 een terugkerend onderwerp van discussie. Mede op grond van geluiden vanuit de balie en de resultaten van de NOvA-enquête vindt de algemene raad een hervorming van het huidige derdengeldensysteem gerechtvaardigd.

Na bestudering van vier alternatieve systemen heeft de algemene raad besloten de constructie van de stichting derdengelden te behouden, maar te onderzoeken of deze verplichting voor advocaten die geen derdengelden ontvangen kan worden afgeschaft. Voor advocaten die toch onverwacht met derdengelden worden geconfronteerd zal in dat systeem een centrale vangnetstichting worden opgericht. Daarnaast onderzoekt de algemene raad de mogelijkheden van een wettelijke kwaliteitsrekening.

De lokale dekens en het college van afgevaardigden hebben zich positief uitgesproken over deze ontwikkeling. De algemene raad beraadt zich momenteel op de inrichting van het nieuwe systeem aan de hand van de genoemde uitgangspunten.”

Naast deze mogelijk om ontheffing te krijgen, komen onderwerpen aan de orde als het tweehandtekeningenvereiste[6] en de eisen die aan de bestuurders van de stichting worden gesteld, waaronder dus het ‘loondienstverbod’ voor advocaten.

Wordt vervolgd…

 

=====

[1] Artikel 6.22 lid 6 Voda.

[2] Zie reactie op mijn blog Stichting derdengelden: de NOvA is te streng!

[3] Rapportage resultaten enquête project derdengelden, november 2015, p. 10.

[4] Artikel 6.22 lid 5 Voda.

[5] Rapportage resultaten enquête project derdengelden, november 2015, p. 2.

[6] Artikel 6.22 lid 8 Voda.

 

 

 

 

 

Stichting derdengelden: de nieuwe regeling

Stichting derdengelden: de NOvA te streng?

UPDATE 23 maart 2016

Per 1 januari 2016 blijkt de Veegverordening 2015 in werking te zijn getreden. Deze verordening heeft de Voda op een aantal punten aangepast. Eén van wijzigingen is dat aan artikel 6.22 lid 6 sub b is toegevoerd “of bij een advocaat”. Deze wijziging is – logischerwijs – nog niet opgenomen in het Vademecum 2015.

 

Tot 1 januari 2016 zat de NOvA er inderdaad naast, maar per 1 januari 2016 is de opgelegde beperking volgens het boekje. De reden van deze beperking is dat de bestuurder er als gevolg van de gezagsverhouding met zijn/haar werkgever mogelijk niet volledig onafhankelijk is. Dit gaat naar mijn mening wel erg ver. Temeer daar dit voor een andere vrije beroepsbeoefenaren en accountants volgens mij niet geldt. Deze mogen volgens mij wel toetreden als bestuurder, terwijl in loondienst. Daar speelt dan toch ook het ‘gevaar’ van de gezagsverhouding. Dit laatste heb ik aan de NOvA voorgelegd en het antwoord volgt hopelijk spoedig.

 

Inleiding

Iedere advocaat moet aangesloten zijn bij een stichting derdengelden. De achterliggende gedacht hiervan is dat namens een cliënt geïncasseerde gelden zich niet vermengen met de financiën van het advocatenkantoor.

De Nederlandse Orde van Advocaten (‘NOvA’) stelt – terecht – hoge eisen aan de stichting derdengelden. Het gaat immers om gelden die de cliënt toekomen. Deze eisen zijn neergelegd in artikel 6.22 Verordening op de advocatuur (‘Voda’).

Het bestuur

Ook aan de bestuurders van de stichting derdengelden worden de nodige eisen gesteld. Zo wordt bepaald wie er bestuurder kunnen worden[1], maar ook welke personen géén bestuurder kunnen worden. Dit laatste staat in artikel 6.22 lid 6 Voda:

“Tot bestuurder van een stichting kunnen niet worden benoemd:

 

a. degene die onder verantwoordelijkheid werkt van of ondergeschikt is aan een bestuurder van de stichting;

b. degene die in dienst is bij het kantoor van een bestuurder van de stichting.”

De Algemene Raad van de NOvA heeft de bevoegdheid om modelstatuten vast te stellen voor de stichting derdengelden.[2] Dit heeft zij gedaan in artikel 33 van de Regeling op de advocatuur (‘Roda’):

  1.    De algemene raad stelt als het model voor de statuten vast, het model in bijlage 5.

  2.    Het in het eerste lid bedoelde model geldt voor stichtingen die worden opgericht en statuten die anderszins worden gewijzigd na inwerkingtreding van dit artikel. [3]

Artikel 4.5 Modelstatuten luidt:

“Alleen zij die over de volgende hoedanigheid beschikken kunnen optreden als bestuurslid: Advocaat en degenen die een ander vrij beroep beoefenen met wie het ingevolge artikel 5.4 van de Verordening op de advocatuur is toegestaan een samenwerkingsverband aan te gaan, alsmede een accountant, zulks met inachtneming van het hierna in dit lid bepaalde.

Degenen die onder verantwoordelijkheid werken van of ondergeschikt zijn aan een andere bestuurder van de stichting kunnen niet als bestuurslid optreden.

Degenen die in dienstbetrekking werkzaam zijn bij het kantoor van een bestuurslid van de stichting of bij een Advocaat kunnen niet als bestuurslid van de stichting optreden [vet, JV]. Evenmin kan als bestuurslid van de stichting waarvan de patroon bestuurslid is, optreden de stagiaire als bedoeld in artikel 9b, eerste, tweede, derde en vierde lid, van de Advocatenwet. Ten minste de helft van de leden van het bestuur dient over de hoedanigheid van Advocaat te beschikken.”

Wat opvalt, is dat dit model c.q. de Roda strenger is dan de Voda voor wat betreft de personen die geen bestuurslid kunnen worden. Uit de Voda volgt dat de strekking van het verbod is, dat een bestuurder niet onder invloed van de andere bestuurder mag staan door bijvoorbeeld een gezagsverhouding of een patroon-stagiaire verhouding. Dat is op zich logisch, omdat het om gelden van cliënten gaat en de bestuurders onafhankelijk van elkaar moeten zijn.

De Roda gaat een stap verder en bepaalt dat geen enkele advocaat in loondienst bij een andere advocaat bestuurder mag zijn bij een stichting derdengelden. Mij is bekend dat de orde van dearrondissement Midden-Nederland en Breda-Middelburg de modelstatuten c.q. de Roda laten prevaleren boven de Voda. De vraag is of dit terecht is. Ik meen van niet.

Voda versus Roda

De Roda is gebaseerd op c.q. afgeleid van de Voda. Dit blijkt uit de aanhef van de Roda:

“De algemene raad;

Gelet op artikel 4, eerste lid, onderdeel c, en artikel 60, tweede lid, van de Advocatenwet,

Gelet op artikel 2.27, artikel 2.28, artikel 2.29, artikel 2.30, tweede lid, artikel 2.35, artikel 2.36, artikel 3.5, artikel 3.14, artikel 3.25, vijfde lid, artikel 4.3, vijfde lid, artikel 4.8, tweede lid, artikel 4.10, tweede lid, artikel 4.12, tweede lid, artikel 4.14, tweede lid, artikel 6.2, tweede lid, artikel 6.4, tweede lid, artikel 6.6, tweede lid, artikel 6.16, tweede lid, artikel 6.21, vijfde lid, en artikel 6.24, vierde lid, van de Verordening op de advocatuur;

stelt de volgende regeling vast:” [4]

Nu de Roda is gebaseerd op de Voda, lijkt me dat de Roda geen strengere eisen kan stellen dan de Voda toestaat. Er is dus geen grondslag voor deze strengere regel.

Daarnaast is de aanvullende bepaling in de Roda c.q. de modelstatuten niet in lijn met de strekking van de Voda. Er is immers geen sprake van een gezagsverhouding tussen de advocaat ten behoeve waarvan de stichting derdengelden is opgericht en een advocaat in loondienst bij een ander advocatenkantoor. Daarmee is de aanvullende beperking ook niet logisch.

Conclusie

De NOvA en in dit specifieke geval de lokale orden van de arrondissementen Midden-Nederland en Breda-Middelburg beperken advocaten onnodig en zonder goede reden in de keuze voor wat betreft bestuursleden van hun stichting derdengelden.

 

=====

[1] Artikel 6.22 lid 5 Voda.

[2] Artikel 6.22 lid 10 Voda.

[3] Artikel 33 Roda en bijlage 5 bij Roda.

[4] Ook al wordt het hier relevante artikel 6.22 lid 6 Voda niet genoemd in de aanhef van de Roda. Enkele in de aanhef genoemde artikelen c.q. artikelleden bestaan niet. Het gaat hier om de artikelen 6.6 lid 2 Voda, 6.21 lid 5 Voda (is bedoeld artikel 6.22 lid 5 Voda?)

KEI: weer uitstel?

KEI: weer uitstel?

In haar meest recente KEI tijdslijn gaat de Rechtspraak ervan uit dat de nieuwe wetgeving voor 1 april 2016 in het Staatsblad wordt gepubliceerd. Die kans lijkt echter klein.

Weer vertraging?

Vorige maand werd duidelijk dat de implementatie van het digitale procederen in civiele zaken op een andere leest wordt geschoeid en dat voor sommige weinig voorkomende proceshandelingen. De leden van de SP-fractie in de Eerste Kamer hebben de nodige vragen gesteld, waardoor het wel erg krap wordt om de deadline van 31 maart a.s. te halen.

De vragen die betrekking hebben op deze onderwerpen zijn:

  • Zien de leden van de SP-fractie het juist dat uit de brieven van de minister van 23 november en 18 februari jl. blijkt dat het tot nu toe door de minister en de Raad gehanteerde tijdschema voor de implementatie van de KEI-wetsvoorstellen niet meer haalbaar is? Zo ja, welk nieuw tijdschema wordt nu gehanteerd door de minister en de Raad? Zo nee, waarom niet?
  • Hoe verhoudt deze nieuwe ontwikkeling zich met de mededeling van de minister in de memorie van antwoord van 19 oktober 2015, waar de minister stelt dat de opstartproblemen niet groter zijn dan verwacht?
  • Kan de regering de leden van de SP-fractie aangeven wat de financiële gevolgen zijn van de uit de brieven van de minister voortvloeiende bijstellingen?
  • Wat bedoelt de minister precies in zijn brief van 23 november 2015, in de laatste zin van de tweede alinea, met de mededeling dat er, om binnen de door de Raad gestelde kaders van tijd en geld, bij de bouw van de bedoelde onderdelen ‘scherper moet worden geprioriteerd’? Hoe zien die prioriteiten eruit?
  • Kan de regering e.e.a. financieel op een voldoende inzichtelijke wijze toelichten?
  • Wat heeft de afstemming met de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) en de Nederlandse orde van advocaten (NOvA) op dit terrein tot nu toe opgeleverd?
  • Kan de regering op een helder wijze uiteenzetten wat de minister in zijn brief van 18 februari jl. bedoelt met zijn mededeling dat gebleken is dat de kosten en tijdsinvestering door digitalisering van bepaalde handelingen niet in verhouding staat tot de baten? Welke handelingen betreft het hier? Welke kosten zijn/waren aan deze handelingen verbonden? 
Welk tijdsbeslag was aan deze handelingen verbonden? Om welke baten handelde het in casu en 
waarom stonden deze baten niet in een redelijke of acceptabele verhouding tot de kosten?
  • De minister stelt in dit verband ook dat bij bepaalde handelingen voorlopig binnen de organisatie enkele werkzaamheden handmatig zullen worden verricht. Graag vernemen de leden van de SP-
fractie welke handelingen hier bedoeld zijn, om hoeveel handelingen het gaat (per week/maand?), wie deze handelingen moet verrichten en wat de meerkosten van deze handelingen zijn?
  • Met betrekking tot het de door de minister vermelde besluit tot een wijziging van de implementatie van de digitalisering van de civiele procedure vernemen de leden van de SP-fractie graag welke motieven en overwegingen aan dit besluit ten grondslag hebben gelegen.
En welke bezwaren er gerezen waren? En waarom er besloten is tot een nieuwe werkwijze met een pilot van vijf maanden bij één of twee gerechten? Wat houdt deze pilot in, en welke extra kosten zijn eraan verbonden? Ook vernemen de leden van de SP-fractie graag van de regering of en zo ja in welke mate deze pilot van vijf maanden tot uitstel of vertraging van de implementatie van de digitalisering kan leiden?

Het is nog niet bekend op welke datum deze vragen zullen worden beantwoord.

KEI tijdlijnen

Zoals bekend, heeft het Project KEI al eerder vertraging opgelopen. Voor degene die geïnteresseerd is in de verloop van de planning van KEI kan hieronder doorklikken naar de drie KEI tijdlijnen die tot op heden zijn gepubliceerd door de Rechtspraak:

Ik sluit niet uit dat er nog meerdere KEI tijdlijnen zullen volgen. Wordt vervolgd.

Stichting derdengelden: de nieuwe regeling

Discussie: het is goed dat advocaten geen leads via leadsites mogen kopen

In de nieuwsbrief van de Amsterdamse Orde van Advocaten van 12 januari 2016 staat het volgende over websites die tegen betaling leads verzorgen voor advocaten voor advocaten en het verbod voor advocaten om te betalen voor het aanbrengen van opdrachten.

(meer…)

Stichting derdengelden: de nieuwe regeling

Tuchtrecht: lijst met geschorste en geschrapte advocaten openbaar

Toen op 1 januari 2015 de vernieuwde Advocatenwet in werking trad, kreeg de secretaris van de Algemene Raad de verplichting om een lijst met geschorste en geschrapte advocaten openbaar te maken.

In dit blog zet ik uiteen onder welke voorwaarden een advocaat op deze lijst terecht komt.

(meer…)

%d bloggers liken dit: