Sinds mei 2013 kan bij het gerechtshof Den Haag de second opinion procedure worden gevolgd in plaats van de reguliere appelprocedure. In dit artikel behandelt de auteur allereerst de kenmerken van de second opinion procedure, waarna de belangrijkste voor- en nadelen aan bod komen. Daarna komen de cijfers aan bod, analyseert hij de gepubliceerde uitspraken en sluit hij af met een conclusie.

Download het artikel

Inleiding

Op 1 mei 2013 startte het gerechtshof Den Haag een pilot met de second opinion procedure. Dit was een uitvloeisel van een onderzoek naar de herziening van de rolprocedure in hoger beroep. De Rechtspraak wilde een snellere, goedkopere en eenvoudige procedure. Naar aanleiding van dit onderzoek ontwikkelde een werkgroep van de gerechtshoven Amsterdam en Den Haag de second opinion procedure.1 Alhoewel ik positief sta tegenover initiatieven die de toegang tot de rechter vergroten, procederen minder kostbaar maken en de doorlooptijden verkorten, was ik destijds kritisch.2 Inmiddels is de pilot afgelopen en is de procedure ingevoerd. Al met al reden genoeg om deze procedure eens nader te bekijken.

In deze bijdrage zet ik kort de kenmerken van de procedure uiteen, waarna de belangrijkste voor- en nadelen aan bod komen. De Hoge Raad lijkt de second opinion overeenkomst aan te merken als een procesovereenkomst en er wordt gekeken of een dergelijke overeenkomst is toegestaan. Daarna komen de cijfers aan bod en analyseer ik de gepubliceerde uitspraken. Ik sluit af met een conclusie.

Geen pilot meer

Advocaat-generaal Spier vermeldde in zijn conclusie van 30 oktober 20153 dat de second opinion procedure een stille dood was gestorven, maar dit blijkt niet zo te zijn. Integendeel. Oorspronkelijk was het idee om de pilot aan te bieden tot de invoering van KEI, omdat dan nieuwe procesreglementen in werking treden. Op dat moment zou worden bezien of het hof Den Haag de second opinion procedure zou blijven aanbieden. Inmiddels is de second opinion procedure geen pilot meer en geldt geen einddatum voor deze procedure. Desgevraagd deelde het gerechtshof Den Haag mee dat wel periodiek wordt beoordeeld of er nog voldoende behoefte is aan deze procedure en dat het eerstvolgende ijkmoment (waarschijnlijk) de invoering van het digitaal procederen bij het gerechtshof Den Haag (de fase civiel 2.0 van het Programma KEI) is.4 Op mijn vraag aan het Haagse hof wat de criteria zijn waarop wordt beoordeeld of de procedure wordt gehandhaafd of afgeschaft, kreeg ik geen antwoord.

De procedure

De second opinion procedure is een wat vreemde eend in de bijt. Zij wordt gepresenteerd als een goedkoop en snel alternatief voor de reguliere appelprocedure in bodemzaken en kortgedingzaken en zij kent een eigen reglement. Maar feitelijk is het niet meer dan een herbeoordeling van de processtukken en het vonnis in eerste aanleg. Het hof herbeoordeelt de zaak in de stand waarin deze zich bevond op het tijdstip waarop voor het laatst vonnis van de eerste rechter werd gevraagd.5

In de vorige alinea repte ik over vonnis. De reden hiervan is dat de second opinion procedure enkel betrekking heeft op dagvaardingsprocedures. Dit is ook logisch, omdat het beroepschrift in een verzoekschriftprocedure de grieven moet bevatten.6

Net als in de reguliere appelprocedure geldt het grievenstelsel ook in de second opinion procedure. Alleen is er in de second opinion procedure sprake van één gestandaardiseerde grief, die is voorgedrukt op het door partijen in te dienen second opinion formulier.7 Deze grief houdt in dat de eerste rechter ten onrechte niet heeft beslist overeenkomstig hetgeen de appellant en/of geïntimeerde in eerste aanleg heeft gevorderd. Feitelijk is dit een bezemgrief/veeggrief en deze grief mag men niet toelichten. In een normale appelprocedure zal worden geoordeeld dat een bezemgrief die de strekking heeft om het gehele geschil aan het hof voor te leggen, geen zelfstandige betekenis heeft en dus geen verdere bespreking behoeft.8 Ook is het niet mogelijk om appel in te stellen tegen een deel van het vonnis in eerste aanleg; de second opinion procedure omvat de gehele uitspraak.9

Omdat het slechts een herbeoordeling is van het procesdossier in eerste aanleg, is er geen ruimte voor het verstrekken van nadere inlichtingen, aanvullende bewijslevering of verder partijdebat.

Toelating tot de second opinion procedure kan alleen op gezamenlijk verzoek van partijen. Dit verzoek kan in de appeldagvaarding worden opgenomen, maar ook tijdens de comparitie na aanbrengen kunnen partijen dit verzoeken. Ook de rechter kan tijdens de comparitie na aanbrengen voorstellen om deze procedure te volgen.10 In het tussenarrest, waarin de comparitie na aanbrengen wordt gelast, wijst het hof partijen door middel van de volgende standaardtekst op de mogelijkheid van de second opinion procedure:

‘Het hof attendeert partijen erop dat – naast de comparitie van partijen en mediation – ook de mogelijkheid bestaat om het vonnis (of de vonnissen) in eerste aanleg ter herbeoordeling voor te leggen zonder verdere stukkenwisseling, waarna het hof op korte termijn arrest zal wijzen. Voor de inhoud van het hierop toepasselijke Second Opinion Reglement en de daarbij behorende formulieren wordt verwezen naar www.rechtspraak.nl onder hof Den Haag, Regels en procedures.’11

Partijen zullen, als het goed is, dus niet worden overvallen door de suggestie om de second opinion procedure te volgen. Is dat wel het geval, dan ligt een (korte) schorsing van de comparitie voor de hand. In elk geval zullen partijen zich hieromtrent moeten kunnen uitlaten.

In alle gevallen moeten de advocaten van partijen een speciaal daarvoor opgesteld ‘Second opinion formulier’ invullen, ondertekenen en indienen.

Gezien de aard van de procedure – enkel herbeoordeling – worden verzoeken afgewezen als het gaat om complexe zaken, bewerkelijke zaken,12 zaken waarin een tussenvonnis is gewezen, getuigenverhoor plaatsvond en/of een deskundigenbericht is gelast13 alsmede zaken waarin behoefte bestaat aan nader feitenonderzoek, nadere inlichtingen of verder partijdebat. Deze wijzigingsgronden zijn niet in beton gegoten; zij kunnen op basis van opgedane ervaringen worden gewijzigd of uitgebreid.14

Wordt het toelatingsverzoek gedaan in de appeldagvaarding, dan beslist het hof binnen zes weken op het toelatingsverzoek. Als het toelatingsverzoek tijdens de comparitie na aanbrengen wordt gedaan, dan beslist de raadsheer-commissaris in principe direct tijdens de comparitie. In bijzondere gevallen beslist de raadsheer-commissaris uiterlijk binnen twee weken middels een rolbeslissing.15 Wijst het hof het verzoek af, dan verwijst zij de zaak naar de reguliere appelprocedure.16 Honoreert het hof het verzoek en hebben beide partijen het griffierecht tijdig betaald, dan doet het hof (in beginsel) binnen zes weken uitspraak. Het is echter mogelijk dat het hof alsnog oordeelt dat de zaak niet geschikt is voor de second opinion procedure en in dat geval verwijst zij de zaak naar de reguliere appelprocedure.17

 

Twee voordelen

De second opinion procedure heeft als grote voordeel dat het hof in beginsel zes weken na toelating tot de second opinion procedure uitspraak doet. Het is dus aanmerkelijk sneller dan een reguliere appelprocedure.

Ook liggen de kosten een stuk lager, omdat de advocaten geen memories hoeven op te stellen, er geen bewijsopdracht kan volgen en er geen deskundigenbericht kan worden gelast. Tegenover deze voordelen staat echter wel een aantal nadelen.

Twee nadelen

De twee grootste nadelen zijn (i) dat partijen afstand doen van hun recht om in appel hun stellingen en verweren aan te passen naar aanleiding van hetgeen in eerste aanleg naar voren is gekomen (de herstelfunctie van hoger beroep) en (ii) dat de second opinion procedure feitelijk strijdig is met het wettelijk procesrecht.

Herstelfunctie hoger beroep

Een van de functies van hoger beroep is de herstel- of herkansingsfunctie. Het is inmiddels vaste jurisprudentie dat het ‘hoger beroep strekt mede ertoe de appellerende partij de gelegenheid te bieden tot het verbeteren en aanvullen van hetgeen zij bij de procesvoering in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten.’18

Dit betekent ook dat de appelrechter niet enkel controleert of de rechter in eerste aanleg zijn werk goed heeft gedaan, maar hij dient de zaak te beoordelen zoals deze aan hem is voorgelegd. Anders gezegd, de appelrechter toetst ex nunc.

Door te kiezen voor de second opinion procedure doen partijen afstand van het recht op herstel en aanvulling. Het is dus niet mogelijk om de eis en/of het verweer te wijzigen of aan te vullen. De appelrechter zal dus enkel controleren of de rechter in eerste aanleg zijn werk goed heeft gedaan. Dit grote nadeel moet zeker in overweging worden genomen alvorens de cliënt te adviseren om akkoord te gaan met de second opinion procedure.

Uit de gepubliceerde jurisprudentie blijkt dat de second opinion procedure eerst tijdens de comparitie na aanbrengen ter tafel komt (zie hierna onder ‘De cijfers”’. Als het goed is, zijn partijen hier in het tussenarrest op geattendeerd. Er zijn geen uitspraken gepubliceerd waaruit volgt dat partijen zelf het initiatief namen om toelating tot de second opinion procedure te verzoeken.

In strijd met appelprocesrecht

Een tweede bezwaar verwoordde advocaat-generaal Spier in zijn eerdergenoemde conclusie van 30 oktober 2015:

‘De “second opinion” regeling vindt geen steun in de wet. Sterker nog: deze is daarmee mijns inziens in strijd. De wet en het wettelijk stelsel vergen dat appellant grieven aanvoert tegen de bestreden beslissing(en). Hoewel daarvoor (niet langer) sacrale bewoordingen nodig zijn, is wél vereist dat grieven voldoende worden gepreciseerd. Met name kan niet door een veeggrief worden bewerkstelligd dat de hele zaak door appellant naar de appelrechter wordt overgeheveld. Dat is nauwkeurig wat in casu is gebeurd.”19

Hij meent dat het hof partijen hierom niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Wel onderkent hij dat het vreemd is dat partijen dan worden gestraft, terwijl zij een door de rechtspraak aangeboden procedure volgen. Voorts belicht hij meerdere perspectieven, waaronder het perspectief dat het feit dat het om een second opinion gaat, impliceert dat geen sprake is van een bij de wet voorziene vorm van rechtspraak maar van een informele en snelle vorm van geschillenbeslechting.20 Desalniettemin meent hij toch dat partijen niet-ontvankelijk zijn.

Procesovereenkomst

De Hoge Raad gaat in zijn arrest niet inhoudelijk in op de door advocaat-generaal Spier geuite principiële bezwaren. De Hoge Raad volstaat met het vermelden van het feit dat de second opinion procedure is gebaseerd op een bijzonder reglement van het Haagse hof en dat het om een procesovereenkomst tussen partijen gaat, waarbij het hof per geval akkoord moet gaan.21 Onduidelijk is of de Hoge Raad hiermee aanhaakt bij de opmerking van advocaat-generaal Spier dat het geen bij de wet voorziene vorm van rechtspraak is, maar een informele vorm van geschillenbeslechting.

Met het ondertekenen van het second opinion formulier gaan partijen feitelijk een procesovereenkomst aan. Een procesovereenkomst is een overeenkomst waarbij partijen afwijken van een of meerdere regels van procesrecht. Hiervoor bleek al dat partijen afstand doen van hun recht om nadere feiten aan te voeren en andere stellingen te betrekken dan in eerste aanleg en dat in het kader van de second opinion procedure één gestandaardiseerde en niet onderbouwde bezemgrief voldoende is om het hele geschil aan het hof voor te leggen. Dit wijkt dus af van het reguliere appelprocesrecht. Interessant is de vraag of deze procesovereenkomst stand zou houden, wanneer hierover geklaagd zou worden in cassatie. Niet elke procesovereenkomst is namelijk toegestaan, zo blijkt uit de dissertatie van Knigge.22

Zo wijken partijen in de second opinion procedure – in strijd met het bepaalde in artikel 21 Rv – af van de regel dat zij alle feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beslissing van hun geschil aan de rechter moeten voorleggen.23 De second opinion overeenkomst is daarmee beperkend voor partijen zelf, want zij kunnen geen gebruikmaken van de herstelfunctie van het hoger beroep en daarmee kan het voorkomen dat niet het gehele geschil aan de rechter wordt voorgelegd. Moet de rechter oordelen op basis van onvolledige feiten en omstandigheden, dan kan dit het vertrouwen in de rechtspraak schaden. Ook zou dit het risico van eigenrichting kunnen vergroten.24 Knigge concludeert in dit verband dat partijen de bevoegdheid om feiten aan te voeren of stellingen te betrekken tijdens de procedure niet bij overeenkomst kunnen beperken.25 De second opinion overeenkomst beperkt partijen evenwel in hun wijze van procederen, wat zou betekenen dat als een cassatieklacht zou worden ingediend tegen de rechtsgeldigheid van een second opinion overeenkomst, het niet ondenkbaar is dat deze procesovereenkomst zou zijn vernietigd.

De cijfers

Als een pilot wordt verlengd, dan zal dat in het algemeen het gevolg zijn van positieve resultaten en de omstandigheid dat de procedure een toegevoegde waarde kan hebben. In dit geval ligt dat anders, want … er zijn geen precieze cijfers bekend!

De rechtspraak heeft niet meteen vanaf de invoering op 1 mei 2013 bijgehouden hoe vaak deze procedure is aangevraagd en is gevoerd. Het is dus niet duidelijk wat de resultaten zijn qua percentage toelatingen en succes van de toegelaten procedures. Wel is bekend dat er in 2014 zes verzoeken zijn gedaan en in 2015 vijf verzoeken. Hoeveel van deze verzoeken gehonoreerd zijn, is onbekend. Zowel in 2014 als in 2015 zijn zeven arresten gewezen in second opinion procedures. In 2016 zijn twaalf second opinion verzoeken ingediend en zijn vijftien uitspraken gedaan.26 Het aantal verzoeken is in 2016 dus bijna verdubbeld ten opzichte van de voorgaande jaren en lag in 2016 op gemiddeld één verzoek per maand. De procedure is dus geen stille dood gestorven.

Op rechtspraak.nl zijn slechts de uitspraken van negen second opinion procedures gepubliceerd (zie tabel 1). Als reden hiervoor geeft het hof Den Haag desgevraagd aan dat er geen capaciteit is om standaard alle arresten te publiceren en dat in second opinion procedures enkel de juridisch interessante arresten worden gepubliceerd.

Tabel 1 Gepubliceerde second opinion uitspraken

Datum uitspraak ECLI-nummer Verzoekjaar Succes t.o.v. 1e aanleg?
21 januari 2014 ECLI:NL:GHDHA:2014:85 2013 Nee
21 januari 2014 ECLI:NL:GHDHA:2014:87 2013 Nee
7 oktober 2014 ECLI:NL:GHDHA:2014:3088 27 2014 Deels
3 februari 2015 ECLI:NL:GHDHA:2015:915 2014 Deels
9 juni 2015 ECLI:NL:GHDHA:2015:1280 2015 Nee
16 februari 2016 ECLI:NL:GHDHA:2016:263 2015 Deels
21 juni 2016 ECLI:NL:GHDHA:2016:1983 2016 Nee
30 augustus 2016 ECLI:NL:GHDHA:2016:2616 2016 Deels in principaal appel en niet in incidenteel appel
25 oktober 2016 ECLI:NL:GHDHA:2016:3102 2016 Niet in principaal appel en niet in incidenteel appel

Opvallend is dat in geen van deze zaken in de appeldagvaarding verzocht is om toelating tot de second opinion procedure. Kennelijk is er vanuit de advocatuur weinig animo voor of bekendheid met de second opinion procedure. Nadat partijen op het bestaan van deze procedure zijn gewezen in het tussenarrest, bespreekt de raadsheer tijdens de comparitie na aanbrengen met partijen of de second opinion procedure in hun zaak wellicht een goede oplossing zou kunnen zijn.

Verder valt op dat in geen van de gepubliceerde uitspraken de uitspraak in eerste aanleg (in conventie of in reconventie) volledig vernietigd wordt. In de reguliere appelprocedure komt dit vaker voor.

De mist in

De toelatingseisen voor de second opinion procedure zijn helder. Toch past het hof in twee van de gepubliceerde uitspraken de procedurele regels niet juist toe.

Het eerste geval betreft het tussenarrest van 16 februari 2016.28 In die zaak stelt het hof appellant in de gelegenheid zijn vordering bij akte nader te specificeren en vervolgens mag geïntimeerde hierop reageren.

In de zaak van 25 oktober 2016 doet zich een soortgelijke situatie voor.29 Daar vroeg het hof zich af of de zaak wel geschikt was voor de second opinion procedure, omdat er mogelijk nadere bewijslevering nodig is. In plaats van de zaak naar de gewone procedure te verwijzen, houdt het gerechtshof de mogelijkheid open om in afwijking van het SO-reglement toch een bewijsopdracht te geven:

‘Voorts hebben beide partijen verklaard dat zij het hof in afwijking van het SOR [lees: SO-reglement] wel ruimte willen laten voor het geven van een bewijsopdracht.

Uiteindelijk komt het niet tot een bewijsopdracht en wijst het hof zowel het principale als het incidentele appel af.

In beide gevallen gaat het gerechtshof de mist in, want het oordeelt in strijd met de aard en regels van de second opinion procedure. Het kenmerkende van deze procedure is nu juist dat partijen niet de mogelijkheid hebben om stukken te wisselen, er geen ruimte is voor nader partijdebat en om bewijs bij te brengen. Dit is immers expliciet opgenomen in de procesovereenkomst. De raadsheer moet de zaak herbeoordelen in de stand waarin deze zich bevond op het tijdstip waarop voor het laatst vonnis van de eerste rechter werd gevraagd.30 Dit laatste is ook logisch, omdat het gerechtshof de zaak herbeoordeelt op basis van enkel het procesdossier in eerste aanleg.

Voorts staat in de toelichting op het SO-reglement dat het verzoek moet worden afgewezen, als het een zaak betreft waarin behoefte bestaat aan nader feitenonderzoek, nadere inlichtingen of verder partijdebat.31 Wat het gerechtshof in beide zaken had moeten doen, is de zaak (alsnog) verwijzen naar de reguliere appelprocedure.32

Conclusie

Zoals gezegd, is de second opinion procedure een vreemde eend in de bijt. Het is geen volwaardige gerechtelijke procedure, ook al biedt de rechtspraak haar aan. Wordt het wel als gerechtelijke procedure beschouwd, dan is zij in strijd met de wet (nu deze procedure is gebaseerd op een enkele niet onderbouwde veeggrief).

Wordt de second opinion procedure beschouwd als alternatieve manier van geschillenbeslechting op basis van een procesovereenkomst, dan kan zij evenmin door de beugel.

Naar mijn mening zou de rechtspraak geen procedure in stand moeten houden die strijdig is met de wet en de basisbeginselen van een eerlijk proces. Dit komt de geloofwaardigheid van de rechtspraak niet ten goede. Daartegenover staat dat er partijen zijn die hier welbewust voor kiezen, en zolang geen van partijen spijt krijgt en geen beroep doet op de ongeldigheid van de procesovereenkomst, is er feitelijk niets aan de hand.

Ondanks de fundamentele kritiek en het gebrek aan cijfers, wint de second opinion procedure aan populariteit. Maar dit rechtvaardigt nog niet de conclusie dat de second opinion procedure een succes is. Dit geldt temeer nu er twee van de twaalf in 2016 gedane verzoeken eigenlijk naar de reguliere appelprocedure hadden moeten worden verwezen. Het is niet bekend op basis van welke criteria zal worden beoordeeld of de second opinion procedure wordt gehandhaafd of afgeschaft. Maar het feit dat ook de zogeheten eKantonrechter33 wordt gehandhaafd, ook al is er sinds de lancering in oktober 2013 slechts een handvol zaken aangebracht, doet vermoeden dat de lat niet erg hoog ligt.

 

Citeertitel: J.M. Veldhuis, De second opinion procedure: een analyse, BER 2017, afl. 3, p. 24-29.

 

Voetnoten:
  1. Considerans Second Opinion Reglement, versie april 2013 (‘SO-reglement’).
  2. J.M. Veldhuis, ‘Versneld hoger beroep door second opinion: bezint eer ge begint!’, Debloggendeadvocaat.nl 25 april 2013.
  3. Conclusie d.d. 30 oktober 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2234.
  4. Het Programma Kwaliteit en Innovatie (KEI) heeft tot doel het digitaliseren van procedures en het vereenvoudigen van het procesrecht. Voor meer informatie over de verschillende fases van het Programma Kei verwijs ik naar https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Tijdlijn-KEI.pdf.
  5. Artikelen 2.7 en 3.6 SO-reglement.
  6. Artikel 359 Rv juncto artikel 278 lid 1 Rv. In het nieuwe procesrecht onder KEI blijft dit verschil gehandhaafd, zie artikel 343 lid 3 Rv nieuw voor vorderingszaken en artikel 359 Rv nieuw juncto artikel 30a lid 3 sub d Rv nieuw voor verzoekprocedures. Wordt in hoger beroep gegaan van een vonnis waarin is beslist over een vordering en een verzoek, dan kunnen de gronden in de verzoekzaak ook later worden ingediend (artikel 343 lid 3 Rv nieuw).
  7. Artikel 3.3 SO-reglement.
  8. HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ3242, NJ 2004, 76, r.o. 3.4.4 en HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8278, NJ 2006, 120, r.o. 4.3, Hof Arnhem-Leeuwarden 24 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9906, r.o. 7.23 en meer recent hof ’s-Hertogenbosch 13 september 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:4087, r.o. 9.17.
  9. Toelichting op artikel 2.4, 2.6, 3.3, 3.4 en 3.6 op pagina 10 SO-reglement.
  10. Artikel 3.1 SO-reglement.
  11. Deze standaardtekst ontving ik van het gerechtshof Den Haag.
  12. Het SO-reglement geeft op pagina 10 in de toelichting als voorbeeld een boedelscheiding.
  13. Omdat dan niet op voorhand duidelijk is op welke wijze de tussenvonnissen in de beoordeling in hoger beroep moeten worden betrokken.
  14. Toelichting op artikel 2.8 en 3.8 op pagina 10 SO-reglement.
  15. Artikelen 2.8 en 3.7 SO-reglement.
  16. Artikel 2.11 SO-reglement.
  17. Artikelen 2.10 en 3.10 SO-reglement.
  18. HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3912, r.o. 4.1, HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:493, r.o. 3.3.3 en HR 7 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:636, r.o. 3.3.3.
  19. Conclusie d.d. 30 oktober 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2234, onder 3.1.
  20. Conclusie d.d. 30 oktober 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2234, onder 3.2 t/m 3.6.
  21. HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:339, r.o. 4.2.2.
  22. M.W. Knigge, De procesovereenkomst: over de vrijheid van partijen het civiele proces vorm te geven (diss. Leiden), Kluwer 2012.
  23. Knigge 2012, p. 138.
  24. Knigge 2012, p. 140.
  25. Knigge 2012, p. 143.
  26. Omdat een verzoek niet altijd leidt tot een arrest in hetzelfde jaar, verschillen deze aantallen met het aantal verzoeken in die jaren.
  27. Op 21 oktober 2014 werd een beslissing artikel 31 Rv (kennelijke verschrijving) die ziet op het arrest van 7 oktober 2014 gepubliceerd, omdat abusievelijk vermeld was dat de advocaat van appellanten zich had onttrokken. Dit herstelarrest heeft ECLI nummer ECLI:NL:GHDHA:2014:3088.
  28. Gerechtshof Den Haag 16 februari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:263.
  29. Gerechtshof 25 oktober 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3102.
  30. Considerans, artikel 2.7 en artikel 3.6 SO-reglement.
  31. Toelichting op artikel 2.8 en 3.8 op pagina 10 SO-reglement.
  32. Artikel 3.11 SO-reglement.
  33. De eKantonrechter is gebaseerd op artikel 96 Rv en het betreft een verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter die – behalve de mondelinge behandeling – geheel digitaal verloopt. Het gaat om eenvoudige kantonzaken. De grootste beperkingen zijn dat de mondelinge behandeling in ’s-Hertogenbosch of Rotterdam plaatsvinden (partijen moeten bij het aanbrengen van de zaak een keuze maken) en dat partijen verplicht afzien van de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen.