Tot de herziening van het burgerlijk procesrecht in 2002 konden advocaten, procureurs en deurwaarders worden veroordeeld in de proceskosten en tot schadevergoeding als zij de hun toevertrouwde belangen verwaarloosden. Dit noemde men een ‘eigen beursje’.

 

De wettelijke regeling

Het eigen beursje was geregeld in artikel 58 Rv (oud):

“De advokaten, procureurs en deurwaarders, die zich in hunne bedieningen te buiten mogten gaan, en alle diegenen, welke de belangen van het beheer dat hun is toevertrouwd verwaarlozen, zullen persoonlijk en uit hunne eigene beurs geheel of gedeeltelijk in de kosten verwezen mogen worden, en zelfs tot vergoeding van schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn, zonder die op hunne principalen te kunnen verhalen.”

In 2002 is de oude regeling vervangen door een nieuwe regeling (artikel 245 lid 1 Rv):

“Indien blijkt dat een partij niet bestaat, of dat zij niet rechtsgeldig in het geding is verschenen doordat een daartoe niet bevoegde voor haar is opgetreden of tot het voeren van een geding opdracht heeft gegeven, geschiedt een veroordeling in de kosten, wanneer daartoe aanleiding is, in plaats van ten laste van de partij in naam van wie in rechte is opgetreden, ten laste van de gemachtigde of advocaat van die partij, of van degene die tot het voeren van het geding opdracht heeft gegeven, in het eerste geval onverminderd het verhaal van die advocaat of gemachtigde op zijn opdrachtgever.”

Het oude artikel 58 Rv was alles behalve makkelijk leesbaar, maar hetzelfde kan worden gezegd van de nieuwe regeling. De nieuwe regeling is beperkter dan de oude. Kort gezegd, kan een rechter een advocaat of gemachtigde in de proceskosten veroordelen als:

  • de procespartij die hij/zij vertegenwoordigt niet bestaat;

voorbeeld: de schuldeiser voor wie je een vordering instelt, bestaat juridisch niet (meer).[1]

  • de procespartij is niet rechtsgeldig in de procedure verschenen, omdat deze partij door een onbevoegd persoon is vertegenwoordigd;

voorbeeld: een voogd of advocaat die zonder machtiging in rechte optreedt.[2]

  • de procespartij is niet rechtsgeldig in de procedure verschenen, omdat deze de advocaat/gemachtigde geen opdracht heeft gegeven om namens haar op te treden.

voorbeeld: een advocaat wordt enkel om advies gevraagd over een dagvaarding die een B.V. heeft ontvangen en de advocaat dient ook een conclusie van antwoord in.

Soms kan de advocaat geen verwijt worden gemaakt, terwijl hij bijvoorbeeld wel optrad voor een niet meer bestaande partij. De rechter kan in dat geval de opdrachtgever van de advocaat (= de voormalig bestuurder) veroordelen in de proceskosten.[3]

 

Hoor en wederhoor

Voordat een rechter besluit een eigen beursje toe te kennen, moet hij de advocaat of gemachtigde eerst in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over dit voornemen (artikel 245 lid 2 Rv). Dit in het kader van hoor en wederhoor. Dit laatste gebeurde niet onder het oude recht en in al 1966 merkten Westerouen en Reinhold hierover op:

“Bedenkelijk is dat in deze gevallen veroordelingen uit de lucht kunnen vallen ten lasten van derden, die niet partij zijn in de procedure, zonder dat althans die derden vooraf in hun belang zijn gehoord.” [4]

Wordt een advocaat of gemachtigde in de proceskosten veroordeeld, dan wordt deze met betrekking tot de proceskostenveroordeling partij in de procedure. Dat betekent dat de advocaat of gemachtigde hoger beroep kan instellen tegen de proceskostenveroordeling.

 

Gemis

Helaas komt het anno 2015 ook voor dat een volkomen kansloze procedure wordt begonnen. Maar omdat dit niet valt onder de situaties van artikel 245 Rv, kan de rechter de advocaat of gemachtigde niet veroordelen in de proceskosten.

Vindt een rechtbank of gerechtshof dat de advocaat er een puinhoop van heeft gemaakt, dan adviseert de rechter de advocaat om de proceskosten toch voor zijn/haar rekening te nemen:

“8. Het hof ziet aanleiding om de man te veroordelen in de proceskosten in beroep. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de procedure volstrekt nodeloos gevoerd en is de man bij herhaling verzocht het hoger beroep in te trekken teneinde te voorkomen dat de vrouw onnodig kosten zou maken. Het hof hecht er in dat kader aan op te merken dat het de advocaat van de man ten zeerste zou sieren als hij deze door de man te betalen proceskosten uit eigen middelen voor zijn rekening zou nemen.” [5]

Op die momenten mist de rechtspraak kennelijk toch de mogelijkheid om een eigen beursje toe te kennen. Toch is de rechterlijke macht niet eenduidig over of het eigen beursje zou moeten terugkeren, zo blijkt uit het promotieonderzoek van Sluijter uit 2011.[6] Kennelijk behoorden de raadsheren die het arrest van 18 februari 2015 wezen tot de groep waarvan de “handen in sommige gevallen toch wel zouden jeuken om zo’n eigen beursje toe te passen”. En dat kan ik me heel goed voorstellen.

 

 

=====

[1] Rechtbank Overijssel 11 februari 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:702 en Rechtbank Amsterdam 20 februari 2013, ECLI:NL:RBAMS:BZ3576.

[2] Gerechtshof Leeuwarden, 17 november 2004, ECLI:NL:GHLEE:2004:AR6440.

[3] Gerechtshof Leeuwarden, 1 maart 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ0013 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 juni 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:4325.

[4] F.M. Westerouen en C.B. Reinhold, Mr. J.A.H.Coops, Grondtrekken van het Nederlands Burgerlijk Procesrecht, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1966, p. 93.

[5] Gerechtshof Den Haag 18 februari 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:378.

[6] P. Sluijter, Sturen met proceskosten: Wie betaalt de prijs van verstorend procesgedrag?, N.N. 2011, § 5.4.4.