In het Nederlandse bewijsrecht spelen aktes een belangrijke rol. In dit blog zal ik dit duidelijk maken aan de hand van een recente uitspraak van het gerechtshof Den Haag.[1]

 

Hoofdregel bewijsrecht

De hoofdregel van het Nederlandse bewijsrecht is dat de partij die zich op een rechtsgevolg beroept, dit moet aantonen.[2] In de hierna te bespreken casus beroept Egelinck B.V. zich op het bestaan van een geldlening en de heer A betwist dit. Volgens de hoofdregel rust op Egelinck B.V. de bewijslast om aan te tonen dat partijen een overeenkomst van geldlening zijn aangegaan. Het bewijsrisico rust dan op Egelinck B.V., omdat haar vordering zal worden afgewezen, als zij dit niet kan aantonen.

 

Akte

Een akte is een ondertekend geschrift dat bestemd is om tot bewijs te dienen.[3] Een voorbeeld van een akte is een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van geldlening.

 

Dwingende bewijskracht

Een akte heeft dwingende bewijskracht tussen de partijen die de akte hebben ondertekend.[4] Dit betekent dat de rechter uit moet gaan van de juistheid van wat er in de akte staat. Wel is tegenbewijs door de andere partij mogelijk. De partij die het tegenbewijs mag aandragen, staat 1-0 achter. Slaagt hij niet in het tegenbewijs, dan krijgt de wederpartij gelijk.

Het belang van dwingende bewijskracht komt goed naar voren in de volgende casus.

 

Casus

Egelinck B.V. stelt zich op het standpunt dat hij aan de heer A € 150.000 heeft geleend en hij vordert dat bedrag terug. Ter onderbouwing overlegt Egelinck B.V. een schriftelijk door partijen ondertekend stuk van twee pagina’s waaruit het bestaan van de lening zou blijken. De handtekeningen van partijen staan op de tweede pagina.

De heer A betwist dat hij € 150.000 van Egelinck B.V. heeft geleend en hij beweert dat het stuk vervalst is. De heer A erkent weliswaar dat de geplaatste handtekeningen echt zijn, maar die zijn gezet op een leeg handtekeningenblad die bij een andere overeenkomst hoort. Egelinck B.V. heeft later de eerste bladzijde en de tekst op de tweede bladzijde toegevoegd.

De rechtbank vindt dat de heer A te weinig heeft gesteld en gaat ervan uit dat de leningsovereenkomst bestaat en wijst de vordering toe. De heer A moet dus € 150.000 betalen.

De heer A is het er niet mee eens en gaat in hoger beroep. Hij voert onder andere aan dat het stuk vervalst is en dat het dus geen akte is. Dit impliceert dat Egelinck B.V., volgens de hoofdregel van het bewijsrecht, moet aantonen dat partijen een geldlening zijn aangegaan. Het gerechtshof overweegt het volgende:

“Naar luid van artikel 156 lid 1 Rv zijn akten ‘ondertekende geschriften’. Zoals uit het woord ‘ondertekende’ blijkt en bijvoorbeeld ook tot uitdrukking is gebracht in de Memorie van Toelichting op het Regeringsontwerp (1969) voor het nieuwe, op 1 april 1988 in werking getreden bewijsrecht (Parlementaire Geschiedenis nieuw bewijsrecht, blz. 138) is de akte hetgeen boven de handtekening staat. Niet kan worden gezegd dat de eerste bladzijde van het ’11 september-stuk’, waarop geen enkele handtekening is geplaatst, ‘boven’ de handtekeningen op de tweede bladzijde staat. Hierbij is van belang dat het te makkelijk tot misbruik zou kunnen leiden wanneer teksten op bladzijden die door een partij worden gepresenteerd als voorafgaand aan de bladzijde met de handtekening, zouden worden beschouwd als te zijn geplaatst ‘boven’ die handtekening. Derhalve kan de eerste bladzijde van het ’11 september-stuk’ niet als een ‘akte’ in de zin van artikel 156 lid 1 Rv worden aangemerkt. Dit zou wellicht anders kunnen zijn in het geval dat vaststaat dan wel is vastgesteld dat de eerste bladzijde bij de tweede bladzijde behoort, doch dat geval doet zich hier (nog) niet voor. [appellant] heeft namelijk gemotiveerd gesteld dat hij die eerste bladzijde (en overigens ook de teksten op de tweede bladzijde) niet kent, zie onder meer punt 13 MvG. Verder is er op te wijzen dat de zinsnede op de tweede bladzijde, dat ‘de overeenkomst (…) uit twee bladzijden (bestaat)’ onder de handtekeningen staat en dus evenmin tot de akte behoort.” [5]

Het gerechtshof is het dus met de heer A eens. Het gevolg hiervan is dat het schriftelijke stuk geen dwingende bewijskracht heeft. Het gerechtshof geeft Egelinck B.V. vervolgens de bewijsopdracht om aan te tonen dat partijen een lening zijn aangegaan. Het is maar de vraag of Egelinck B.V. hierin zal slagen. Egelinck B.V. draagt nu de bewijslast en het bewijsrisico. Kan Egelinck B.V. het bestaan van de overeenkomst niet bewijzen, dan wordt de vordering van Egelinck B.V. alsnog afgewezen.

 

Tip

Een overeenkomst bestaat vaak uit meerdere pagina’s en vaak ondertekenen partijen alleen de laatste pagina. Uit de hiervoor besproken casus kan de les worden getrokken dat het van belang is om elke pagina van een overeenkomst te laten ondertekenen (of paraferen).

Ondertekenen partijen enkel de laatste pagina en wordt de juistheid van iets op een eerdere pagina betwist, dan geldt daarvoor niet de dwingende bewijskracht. Dit kan leiden voor vervelende verrassingen, zoals Egelinck B.V. ondervond.

 

=====

[1] Hof Den Haag 21 februari 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:382.

[2] Artikel 150 Rv.

[3] Artikel 156 lid 1 Rv.

[4] In sommige gevallen kan worden volstaan met een paraaf. Dit is het geval als de paraaf de desbetreffende persoon in voldoende mate individualiseert, aldus HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6698.

[5] Hof Den Haag 21 februari 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:382, r.o. 11.