In dit blog staat de vraag centraal of je kan verrekenen als jouw schuldeiser zijn vordering aan een ander heeft overgedragen.

Voordat ik die vraag beantwoord, leg ik eerst uit wat verrekening inhoudt.

Verrekening

Als twee personen over en weer een vordering op elkaar hebben, dan kunnen zij een beroep doen op verrekening. Het gevolg is dat de vordering voor wat betreft hun gezamenlijk beloop tegen elkaar wegvallen. Kenmerkend voor verrekening is dat beide partijen over en weer een vordering op elkaar hebben. Dit wordt ‘wederkerig schuldenaarschap’ genoemd.

Voorbeeld:

Jan leent aan Evelien € 100 en Evelien schiet op zaterdagavond het bioscoopkaartje van € 15 van Jan voor. Beroept Evelien zich op verrekening dan hoeft zij nog maar € 85 aan Jan terug te betalen. Het gemeenschappelijk beloop is € 15 en beide vorderingen worden met dat bedrag verminderd. De schuld van Jan aan Evelien is daarmee voldaan.

Verkoop vordering en verrekening

De vraag is of Jan zich op verrekening kan beroepen als Evelien haar vordering op Jan van € 15 verkoopt aan Barend. Er is dan immers geen sprake meer van twee partijen die over en weer een schuld op elkaar hebben:

Jan heeft vordering op Evelien van € 100

Barend heeft vordering op Jan van € 15

De wet[1] zegt dat Jan zich in twee situaties toch op verrekening kan beroepen:

  1. opeisbare vordering

De eerste situatie is dat de vordering van Jan (de geldlening) bestaat en dat deze opeisbaar is op het moment dat Evelien haar vordering verkoopt.

  1. dezelfde rechtsverhouding

Heeft Jan geen opeisbare vordering op het moment van de verkoop van de vordering door Evelien, dan kan Jan zich toch beroepen op verrekening als de tegenvordering voortvloeit uit dezelfde rechtsverhouding als de verkochte vordering. Wat onder ‘dezelfde rechtsverhouding’ wordt verstaan, is het beste uit te leggen aan de hand van een nieuw voorbeeld:

Jansen koopt voor € 10.000 een auto van Waterman. Al snel blijkt dat de auto gebreken vertoont en daardoor lijdt Jansen € 2.500 schade. In dit geval vloeien de koopsom en de schade voort uit dezelfde rechtsverhouding, namelijk de koopovereenkomst.

In ons eerdere voorbeeld is geen sprake van dezelfde rechtsverhouding; Jan leent € 100 aan Evelien en enkele dagen later schiet Evelien het bioscoopkaartje van Jan van € 15 voor. Dit zijn twee aparte overeenkomsten die niet met elkaar samenhangen.

Als de twee vorderingen in één overeenkomst zijn opgenomen, betekent dat niet dat per definitie sprake is van ‘dezelfde rechtsverhouding’. De Hoge Raad oordeelde dat er een voldoende nauwe samenhang tussen beide vorderingen moet zijn. Of hiervan sprake is wordt beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.[2]

Stel, de vordering van Jan is niet opeisbaar en Evelien en Jan hebben hun vorderingen op elkaar in één overeenkomst vastgelegd. Dan kan Jan zich toch niet beroepen op verrekening, omdat geen sprake is van een voldoende nauwe samenhang en dus niet van ‘dezelfde rechtsverhouding’.

Afsluiting

In de hiervoor genoemde twee gevallen wordt dus een uitzondering gemaakt op het vereiste dat sprake moet zijn van wederkerig schuldenaarschap als je wilt verrekenen.

Mocht je een vordering van iemand willen kopen, dan is het ten zeerste aan te raden te informeren naar mogelijke tegenvorderingen.

=====

[1] Artikel 6:130 lid 1 BW.

[2] HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3777.