Het onderwerp van dit blog is de uitvoerbaarheid bij voorraad van een vonnis. Met dit fenomeen heeft iedere procesjurist te maken. Over het algemeen levert het geen problemen op, maar soms gaat het fout. Wat dan te doen?

Schildersbedrijf De Kwast B.V. heeft het pand van Garagebedrijf Het Stuur B.V. geschilderd. Het Stuur betaalt de factuur niet en wordt door de rechter veroordeeld tot betaling. Het Stuur is het niet eens met het vonnis van de rechtbank en gaat in hoger beroep bij het gerechtshof.

Het instellen van hoger beroep heeft in beginsel schorsende werking. Dat betekent dat het vonnis niet ten uitvoer kan worden gelegd. Dat is natuurlijk onwenselijk voor De Kwast en daarom vordert men in de dagvaarding bijna altijd dat het vonnis ‘uitvoerbaar bij voorraad’ wordt verklaard. Is een vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dan heeft hoger beroep geen schorsende werking en kan het vonnis ‘gewoon’ ten uitvoer worden gelegd. Dit volgt uit artikel 350 Rv.

Stel dat De Kwast vergeten is om uitvoerbaarheid bij voorraad te vorderen en Het Stuur gaat in hoger beroep. Betekent dit dan dat De Kwast moet wachten totdat het gerechtshof heeft beslist voor dat het vonnis ten uitvoer kan worden gelegd?

Nee, dat hoeft gelukkig niet. Als een rechtsmiddel, zoals in ons voorbeeld hoger beroep, is ingesteld, dan kan men in de hoger beroepsprocedure alsnog de uitvoerbaarheid bij voorraad vorderen. Dit is een incidentele vordering en het gerechtshof zal eerst op deze incidentele vordering beslissen, voordat de gewone procedure verder gaat (artikel 209 Rv).

Er zijn drie vereisten waaraan deze vordering moet voldoen:[1]

(i)              de incidenteel eiser (in ons voorbeeld is dat De Kwast) moet een belang hebben bij het alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren;

(ii)            bij de in het licht van de omstandigheden van het geval te verrichten afweging van de belangen van partijen moet worden nagegaan of het belang van degene die de veroordeling verkreeg, zwaarder weegt dan dat van de andere partij bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist, en

(iii)          bij deze belangenafweging mag de rechter geen rekening houden met de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel (in ons voorbeeld de kans van slagen van het hoger beroep).

Soms komt het voor dat in de dagvaarding wel is verzocht om uitvoerbaarheid bij voorraad, maar dat de rechtbank is vergeten hierover te beslissen. In dat geval kan de rechtbank worden verzocht om het vonnis aan te vullen (artikel 32 Rv).

Als een vonnis uitvoerbaar bij voorraad is en in hoger beroep oordeelt het gerechtshof dat de vordering van De Kwast moet worden afgewezen, dan moet De Kwast het door haar geïncasseerde geld aan Het Stuur terugbetalen. Het is daarom raadzaam voor Het Stuur om in hoger beroep een tegenvordering in te stellen, inhoudende dat De Kwast het bedrag dat op basis van het vonnis is betaald, moet terugbetalen.

 

 

[1] Hoge Raad 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012 en Gerechtshof Den Haag 16 oktober 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:4418.