Recent ontstond er discussie over de stemfie. Een stemfie is een in het stemhokje gemaakt zelfportret (foto) van de stemmer met zijn ingevulde stembiljet. Minister Plasterk (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) gaf voor en tijdens de gemeenteraadsverkiezingen 2014 meerdere malen aan dat het was toegestaan om een “stemfie” te maken.

Zo twitterde hij:

Twee partijen, waaronder de Stichting Bescherming Burgerrechten, vonden dit ontoelaatbaar en met de naderende Europese verkiezingen van 22 mei a.s. eisten zij dat minister Plasterk zijn uitlatingen zou rectificeren. Vandaag deed de rechtbank Den Haag uitspraak.

In rechtsoverweging 3.8 geeft de rechtbank de kernvraag weer:

“Op de Staat rust de actieve plicht om het stemgeheim en de daaraan ten grondslag liggende beginselen ten volle te respecteren. Het geschil van partijen spitst zich toe op de vraag of de Staat – in dit geval de minister – deze rechtsplicht in voldoende mate is nagekomen. De vordering strekt niet tot het tot stand brengen of erkennen van een verbod om stemfies toe te laten, maar tot (i) een oordeel over de toelaatbaarheid van de gewraakte uitingen van de minister en tot (ii) (nadere) maatregelen ter ontmoediging van het gebruik van stemfies.”

De rechtbank oordeelt:

“3.14. De kern van de gewraakte uitingen is – naast het al besproken gegeven dat de minister niet heeftopgeroepen tot het maken van stemfies – de herhaalde mededeling dat stemfies “niet verboden” zijn. Deze mededelingen hebben extra effect gekregen doordat zij niet terloops zijn gedaan maar nadat de minister, die binnen het kabinet bij uitstek verantwoordelijk is voor de naleving en effectuering van de regels over het kiesrecht, had verklaard dat hij dit “had laten uitzoeken”.

3.15. Een “verbod” van het maken of tonen van stemfies richt zich naar zijn aard tot de burger. Zo’n verbod bestaat in Nederland niet. Er zijn wel allerlei regels die vrije verkiezingen en het respecteren van het stemgeheim moeten garanderen of bevorderen – ook regels die rechtstreeks tot de burger zijn gericht, zoals diverse strafbepalingen – maar die hebben geen betrekking op stemfies, die trouwens ook een vrij nieuw verschijnsel vormen. Ook het door eisers aangehaalde artikel J 26 van de Kieswet houdt, direct of indirect, geen verbod in. Het gegeven dat uit het evidente belang van vrije verkiezingen en van het stemgeheim kan worden afgeleid dat stemfies naast voordelen ook ernstige en zwaar(der)wegende nadelen kunnen hebben, heeft niet tot gevolg dat stemfies thans verboden zijn.

3.16. Hieruit volgt dat de uitspraken van de minister niet onjuist of onwaar waren. Het is niet aan de rechter om te beoordelen of de minister er verstandig aan heeft gedaan door in dit opzicht te verklaren dat “het mag” zonder daarbij tevens en met nadruk te wijzen op de hier beschreven ernstige nadelen. In dit kort geding kan slechts een oordeel worden gegeven over het al dan niet rechtmatig zijn van de uitingen. De slotsom is dat deze niet onjuist waren, en daardoor niet onrechtmatig. Gelet op het voorgaande en op het door de Staat gedane aanbod zoals vermeld in 1.9, ziet de voorzieningenrechter evenmin grond of aanleiding de Staat te gelasten de overigens gevorderde maatregelen te treffen om het maken van stemfies te ontmoedigen.

3.17. Dit betekent dat de vordering in alle onderdelen dient te worden afgewezen, met veroordeling van eisers in de kosten van deze procedure.”

In andere woorden: minister Plasterk is zijn boekje niet te buiten gegaan en het maken van stemfies an sich is toegestaan. Er kunnen echter grote bezwaren kleven aan het maken van een stemfie. Op deze nadelen (die je terug kan lezen in het vonnis) heeft minister Plasterk niet gewezen. De rechter laat in het midden of de opmerkingen van minister Plasterk verstandig zijn. Daar ging het in dit kort geding namelijk niet om.

De hele uitspraak lees je hier.