In de eerste 11 maanden zijn er meer faillissementen uitgesproken dan in heel 2012.[1] In dit blog ga ik eerst kort in op de vereisten waaraan voldoen moet zijn voordat een faillissement wordt uitgesproken.

Vervolgens bespreek ik een uitspraak van de Hoge Raad van afgelopen vrijdag. De vraag is onder andere of het gerechtshof mocht oordelen dat betaling van schulden door derden gedurende de faillissementsprocedure niet is toegestaan.

Om failliet te worden verklaard, moeten er enkele voorwaarden zijn vervuld. De eerste voorwaarde is dat de (rechts)persoon van wie het faillissement is aangevraagd, “in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen” (artikel 1 Faillissementswet).

De tweede voorwaarde is dat er meerdere schuldeisers – en daarmee meerdere schulden – moeten zijn. Dit wordt pluraliteit van schuldeisers genoemd. Deze andere schulden dienen als steunvordering bij de aanvraag. Als ten tijde van de faillissementszitting alle steunvorderingen zijn voldaan, kan het faillissement niet worden uitgesproken.

Een derde vereiste is dat tenminste één van de schulden opeisbaar is. Dit hoeft niet de hoofdvordering te zijn, maar kan ook één van de steunvorderingen zijn.

Is het faillissement eenmaal uitgesproken, dan kan de debiteur binnen acht dagen na de dag van de uitspraak in hoger beroep komen en het faillissement aanvechten. Recent oordeelde de Hoge Raad over de vraag wat de gevolgen zijn als de steunvorderingen ten tijde van het hoger beroep door derden zijn betaald.

Het ging om de volgende casus. Unitco is failliet verklaard, maar voert in hoger beroep aan dat er geen steunvorderingen meer zijn en dat het faillissement dus vernietigd moet worden. Het gerechtshof oordeelt – kort gezegd – dat de stelling dat de steunvorderingen door giften zijn derden zijn voldaan, niet betekent dat er geen steunvorderingen meer zijn. Er zijn mogelijk nog onbekende schulden. Daarbij achtte het gerechtshof relevant dat het faillissement pas recent was uitgesproken en dat mogelijk nog niet alle schuldeisers zich bij de curator hadden gemeld. Verder luidde het oordeel dat de gelijke behandeling van schuldeisers (paritas creditorum) is doorbroken door selectief de steunvorderingen te voldoen en niet de vordering van de aanvrager van het faillissement.[2]

De Hoge Raad is het niet met het gerechtshof eens.[3] Het uitgangspunt in hoger beroep is – net als bij de aanvraag van het faillissement – dat summierlijk moet zijn gebleken dat er steunvorderingen zijn. Het gerechtshof mocht niet ervan uitgaan dat dit het geval was (“er zijn mogelijk nog onbekende schulden”), maar zij had naar aanleiding van de stellingen van Unitco moeten onderzoeken of er op dat moment nog steeds steunvorderingen zijn.

Ook met betrekking tot de paritas creditorum corrigeert de Hoge Raad het gerechtshof. De Hoge Raad meent dat de stelling dat het tijdens een faillissement betalen van steunvorderingen ontoelaatbaar is, onjuist is. Het staat derden in beginsel vrij om de steunvorderingen te voldoen tijdens een faillissementsprocedure. Dit levert geen doorbreking op van de paritas creditorum. Ook niet als de vordering van de aanvrager onbetaald blijft. Paritas creditorum ziet namelijk slechts op de gelijke behandeling waarop schuldeisers aanspraak hebben bij de voldoening van hun vordering uit de opbrengst van de goederen van de schuldenaar.

De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Indien mocht blijken – na onderzoek door het gerechtshof – dat er geen steunvorderingen meer zijn, dan zal het faillissement moeten worden vernietigd.


[1] http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/bedrijven/publicaties/artikelen/archief/2013/2013-12-12-m07.htm.

[2] Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 8 mei 2013 ECLI:NL:GHSHE:2013:1941 (niet gepubliceerd).

[3] Hoge Raad 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:98.