In mijn blog De appelgrens: wanneer kan je in hoger beroep? schreef ik dat je niet in hoger beroep kan als de vordering lager is dan € 1.750. Dit is de appelgrens. Ook zette ik uiteen wat er onder deze € 1.750 valt. Het blijkt dat dit in de praktijk ook niet altijd helder is.

Recent moest de Hoge Raad een oordeel vellen over de volgende kwestie. Op basis van een huurovereenkomst heeft Anton Bernard op 2 maart 2012 gedagvaard.[1] Anton vordert bij de kantonrechter onder andere betaling van een bedrag van € 1.672,14 en een bedrag van € 438,38 voor iedere maand dat Bernard na 2 maart 2012 het genot heeft van het gehuurde.

Bernard voert verweer en vertrekt niet. Tijdens de mondelinge behandeling verminderde Anton zijn vordering tot € 1.315,14. De kantonrechter wijst de vordering van Anton af. Anton laat het er niet bij zitten en gaat in hoger beroep bij het gerechtshof.

Het gerechtshof is van mening dat dat Anton niet-ontvankelijk is in zijn vordering, omdat de vordering waarover de kantonrechter moest oordelen na de eisvermindering lager was dan € 1.750.

Anton blijkt een bijtertje en gaat in cassatie bij de Hoge Raad. In cassatie betwist hij niet dat de vordering waarover de kantonrechter moest beslissen lager was dan € 1.750. Toch vindt hij dat het gerechtshof hem niet niet-ontvankelijk mocht verklaren. Zijn argument is dat de appelgrens niet geldt voor zaken waarin de kantonrechter altijd – dus ongeacht de hoogte van de vordering – bevoegd is, zoals huurzaken en arbeidszaken.

Geheel terecht wordt dit argument van tafel geveegd door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad:[2]

“In cassatie wordt niet opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen, na eisvermindering minder beliep dan het in art. 332 lid 1 Rv. genoemde bedrag van € 1750,-. De daaraan door het hof verbonden gevolgtrekking van niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn hoger beroep is dan ook juist. Anders dan de eerste klacht van het middel betoogt, is de aard van de zaak voor de appellabiliteit niet van belang; deze is slechts bepalend voor de beoordeling van de bevoegdheid van de (kanton)rechter (zie art. 93 Rv.). Ook in het geval een geldvordering haar oorsprong vindt in een huurovereenkomst zoals hier, geldt dus de in art. 332 lid 1 Rv. opgenomen financiële appelgrens van € 1750,-.”

De Hoge Raad volgt deelt dit standpunt en verwerpt het cassatieberoep.

Conclusies

Uit deze kwestie kunnen twee conclusies worden getrokken. Ten eerste en belangrijkste conclusie is dat je moet opletten als je je eis wilt verminderen. Verminder je je vordering tot onder de € 1.750, dan verspeel je je recht op hoger beroep.

Ten tweede geldt de appelgrens ook in gevallen waarin het gaat om een vordering die – ongeacht de hoogte van de vordering – tot de bevoegdheid van de kantonrechter behoort.

 


[1] De namen van partijen zijn verzonnen. Zij blijken niet uit het arrest van de Hoge Raad en de conclusie van A-G Wisseling-Van Gent.

[2] Conclusie A-G Wesseling-Van Gent, r.o. 2.5, http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2013:917.

%d bloggers liken dit: