Het gebeurt geregeld dat de wederpartij zich in een procedure beroept op verrekening bij wijze van verweer. Worden twee vorderingen verrekend, dan vallen dan beide vorderingen tegen hun gezamenlijke beloop tegen elkaar weg. Maar daartegen kan je met succes bezwaar maken.

Wettelijke regeling

Dit is geregeld in artikel 6:136 BW:

“De rechter kan een vordering ondanks een beroep van de gedaagde op verrekening toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is.”

Het gaat hier over het leerstuk van de ‘liquiditeit van het verrekeningsverweer’. Dit leerstuk valt uiteen in twee delen:

  1. de gegrondheid van het verweer is op eenvoudige wijze vast te stellen (‘processueel liquide’); en
  2. de vordering van je cliënt moet voor toewijzing vatbaar zijn (‘materieel liquide’).

De beoordeling van een verrekeningsverweer is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Hierbij zijn onder andere van belang

  1. het verband dat tussen de vorderingen over en weer bestaat;
  2. de verwachting omtrent mogelijk verhaal op de wederpartij; en
  3. de vermoedelijke duur van het onderzoek naar de gegrondheid van zowel de ingestelde vordering als van de gepretendeerde tegenvordering.

Als de wederpartij zich beroept op verrekening, dan moet je gemotiveerd het bestaan van de tegenvordering betwisten en stellen dat het bestaan van de tegenvordering niet eenvoudig is vast te stellen. Daarnaast moet de vordering van jouw cliënt wel voor toewijzing vatbaar zijn (bijvoorbeeld doordat je wederpartij deze erkent).

Bewijsvoering

Als de wederpartij zich slechts beroept op verrekening, maar géén tegenvordering (‘reconventionele vordering’) heeft ingesteld, dan is er – gelet op de zeer strikte eisen die aan verrekening als verweer worden gesteld – geen ruimte voor een (eventuele) bewijsopdracht. Wordt er wel een reconventionele vordering ingesteld, dan is er wel ruimte voor nadere bewijsvoering (voor zover er aan de stelplicht is voldaan en er een afdoende bewijsaanbod is gedaan).

Dus als je cliënt een beroep wil doen op verrekening, dan dien je dit te concretiseren en te onderbouwen. Doe je dat niet, dan kan de rechter de gegrondheid van het verrekeningsverweer niet op eenvoudige wijze vast stellen en zal hij het beroep op verrekening afwijzen.

Kort geding

In kort geding gelden de bewijsregels niet, aangezien het slechts gaat om het treffen van een voorlopige voorziening. Aanvullende bewijsvoering, al dan niet door het horen van getuigen, is wel mogelijk in kort geding, maar dat komt nauwelijks voor. Dus ook in geval van een reconventionele vordering in kort geding moet je het beroep op verrekening goed motiveren en onderbouwen.

Meer informatie over het instellen van een geldvordering in kort geding lees je hier.

(bronnen: artikel 6:136 BW,  HR 11 juli 2003, LJN: AF7535, HR 11 juli 2003, LJN: AF7539, Hof ’s-Gravenhage 19 juni 2008, LJN: BD5335 en Het Kort Geding, Kluwer 2002, hfdst. 3).